‘We ­willen niet dat onze kinderen de enigen met een donkere huidskleur zijn.’

PlusPortretten

4 stellen over liefde, afkomst en racisme: ‘Ze vroegen of het wel echt mijn kind is’

‘We ­willen niet dat onze kinderen de enigen met een donkere huidskleur zijn.’Beeld Marie Wanders

Vier stellen over hun liefde voor elkaar, culturele verschillen en impertinente vragen. ‘Ik hoop dat onze relatie een voorbeeld is voor de volgende generatie.’

Legien Warsosemito-Schenk en Stijn Schenk (beiden 43) wonen in de Hoofddorppleinbuurt, tussen Zuid en Nieuw-West. Ze zijn sinds 1998 samen en hebben twee zoons van 12 en 9 jaar.

Legien Warsosemito-Schenk en Stijn Schenk kregen tijdens hun ­studententijd in Amsterdam een relatie. Warsosemito-Schenk, van Javaans-Surinaamse afkomst: “Ik vond het vreemd om in een witte omgeving terecht te komen. Op mijn werk en tijdens mijn studie was ik het wel gewend, maar qua partner was dat nieuw voor mij.” Zo stelde haar schoon­familie haar heel gedetail­leerde vragen. “Bij een van de eerste ontmoetingen vroegen ze me naar mijn ambities op werkgebied. Dat hebben mijn ouders me nooit gevraagd.” Schenk: “Ik vond het juist heel vreemd toen we drie weken door ­Suriname reisden om een deel van Legiens familie te ontmoeten, en niemand vroeg wat voor werk ik deed.”

Inmiddels heeft het stel een gemêleerde vriendengroep. “We zijn ook bewust in deze buurt gaan wonen, omdat we voor onze kinderen willen dat ze in een diverse buurt opgroeien. We zouden best naar een randgemeente willen verhuizen met wat meer bewegingsruimte, maar we ­willen niet dat onze kinderen de enigen met een donkere huidskleur zijn.”

Schenk geeft toe dat haar kijk op de ­wereld hem veranderd heeft. “Ik ben van nature nogal overtuigd van mijn eigen gelijk. Door onze relatie ben ik minder stellig geworden.” Warsosemito-Schenk leerde zich op haar beurt meer open te stellen. “Vanuit mijn Javaans-Surinaamse achtergrond wordt er weinig over emoties ­gepraat, we gaan vooral uit van het positieve. Van Stijn leerde ik dat er ook gepraat kan worden over negatieve gevoelens.” Schenk: “Maar je hoeft het er ook weer niet eindeloos over te hebben. Haar moeder praat bijvoorbeeld weinig over haar gevoel, maar uit dit door te koken. Zo kun je de dingen ook tastbaar maken.”

Warsosemito-Schenk had in haar jeugd vooral ­Javaans-Surinaamse vriendjes. “Ik voelde me daar comfortabel bij vanwege de ­gezamenlijke cultuur; je ­herkent ­elkaar.” Dat veranderde nadat ze slachtoffer werd van seksueel geweld, ­gepleegd door iemand van een soortgelijke ­etniciteit. “Vanaf dat ­moment ontstond er error in mijn hoofd en begon ik me af te keren van mijn etnische achtergrond.”

Uiteindelijk moedigde haar man haar aan meer toenadering te zoeken tot haar roots. “Door er veel over te praten, ben ik steeds meer gaan omarmen wie ik ben en waar ik vandaan kom.”

Het valt beiden op dat huidskleur een belangrijke rol speelt in de samenleving, maar dat oprechte interesse voor elkaars achtergrond vaak ontbreekt. “Mensen ­vragen vaak waar ik vandaan kom, maar als ik dan het verhaal vertel dat mijn opa als contractarbeider onder erbarmelijke omstandigheden van Java naar ­Suriname is verscheept, kunnen zij zich daar geen voorstelling van maken.”

Terwijl dat gruwelijke verleden niet eens zo lang geleden is, zegt ze. “Ik heb tast­bare ­herinneringen aan mijn opa. Voor veel mensen voelt het slavernijverleden als ver weg. Maar als mijn kinderen op school les ­krijgen over slavernij, kunnen ze een foto van hun overgrootvader meenemen. Het is een gedeelde geschiedenis.” 

‘Mijn huidskleur is bijna altijd het eerste gespreksonderwerp.’Beeld Marie Wanders

Martijn de Lange (40) en Etienne Brinkman (34) wonen in de Indische Buurt in Oost en zijn tien maanden samen.

Etienne Brinkman is van Surinaams-­Hindoestaanse afkomst en groeide op in een wit pleeggezin in het Brabantse Geertruidenberg. “Ik merk dat daar voor mij soms een paradox in zit. Omdat ik in zo’n witte omgeving ben opgegroeid, zie ik witte mensen als heel vertrouwd. Terwijl witte mensen mij altijd in de eerste plaats zien als een gekleurde man, en daar ­mogelijk vooroordelen aan verbinden.”

Dat was ook waar de vrienden van ­Martijn de Lange over begonnen toen hij een foto liet zien van zijn nieuwe vriend. “Natuurlijk, mijn huidskleur is iets wat je direct ziet. Maar het is ook bijna altijd het eerste ­gespreksonderwerp.”

Zo werd hem tijdens een vakantie in Groningen door een oud stel gevraagd waar hij vandaan komt, ‘want jij bent geen Nederlander’. “Ik geef daar dan wel ­antwoord op, maar tegelijkertijd is het ­bijzonder dat ik dit als normaal ben gaan zien.”

Ondanks dat hij weet dat de intentie niet slecht is, zou dat volgens Brinkman niet het eindpunt moeten zijn van een ­discussie. “Het is misschien niet je bedoeling me te kwetsen, maar je doet het wel. Natuurlijk moet je tegen een grapje kunnen, zoals zo vaak wordt gezegd. Maar al decennialang wordt er nu van dezelfde groep mensen gevraagd om alles maar te slikken.”

De Lange: “Ik merk dat ik toch vaak ­onwetend ben op het gebied van racisme. Toen we laatst naar een bed & breakfast gingen in Groningen, vroeg Etienne of ik kon boeken, omdat de kans dan groter zou zijn geaccepteerd te worden. Ik vind het lastig dat de persoon van wie je het meest houdt daarover moet nadenken.”

Sinds hij het van zo dichtbij meemaakt, spreekt De Lange vaker mensen aan op ongemakkelijke uitspraken of racistische grappen. “Ik werk in de zorg, waar veel ­nationaliteiten samenkomen. Daar ­worden ook veel dingen gezegd die niet kunnen, over mensen met een hoofddoek bijvoorbeeld, of homo’s. Ik ben daar ­gevoeliger voor geworden.”

Ook binnen zijn familie probeert De Lange het onderwerp racisme meer ­bespreekbaar te maken. “Ik heb twee neefjes van 4 en 9 jaar en vind het belangrijk om het ook met hen over racisme te hebben. Het onderwerp is lang genoeg doodgezwegen.”

Daarnaast hoopt hij dat hun relatie een boodschap afgeeft. “Mijn familie weet al heel lang dat ik homo ben, maar ik hoop dat deze relatie een voorbeeld is. Dat het niet uitmaakt met wie je thuiskomt, ­zolang je maar van diegene houdt.”

‘Ik heb drie keer de vraag gehad of dat echt mijn kind is.’Beeld Marie Wanders

Laura Kooijmans (34) en Henrique ­Banjaktoetoer (33) wonen in de Da ­Costabuurt in West. Ze zijn sinds 2010 samen en hebben een zoontje, Noël (3).

Het allereerste gesprek dat Laura ­Kooijmans en Henrique Banjaktoetoer met ­elkaar voerden, ging over ­afkomst. “Ik was met een vriendin een wijntje aan het drinken en we zouden nog één drankje doen, toen Henrique binnen kwam lopen. Ik ben op hem afgestapt en vroeg of hij ook Indo is.”

Kooijmans, met Nederlands-Indisch bloed, had het mis: ­Banjaktoetoer is ­Moluks. “Ik maakte toen een grapje dat ze me niet erger had kunnen beledigen.”

Eenmaal een stel hielp het dat Kooijmans veel over de Molukse geschiedenis wist. “Maar alle gebruiken waren nieuw voor me.” Zo sprak ze Banjaktoetoers moeder per sms aan met haar voornaam en zei ze ‘je’ – “Dat bleek echt not done.” Oudere mensen spreek je in de Molukse cultuur met ‘u’ aan, mensen in de generatie boven je zijn ‘oom’ of ‘tante’. Banjaktoetoer: “Dat proberen we Noël nu ook aan te leren, maar bij Laura’s familie gaat dat ­anders. Ik was eerst ook verbaasd dat neefjes en nichtjes Laura bij haar voornaam aanspreken.”

Ook vlak na de bevalling werd een ­cultuurverschil duidelijk; in de Molukse cultuur is het gebruikelijk om familie de eerste dag uit te nodigen. “Ik ben uiteindelijk meegegaan in het Nederlandse ­gebruik om het rustig aan te doen als je net bevallen bent, maar dat was wel ­slikken voor mijn familie.”

Aan het begin van hun relatie spraken ze veel over elkaars cultuur. “Laura ­benoemde de dingen die ze waarnam, en dat zag ik soms als een aanval. Ik ben heel trots op de Molukse cultuur.” Aan hun huidskleur besteedden de twee nauwelijks aandacht, tot Noël geboren werd. Kooijmans: “Ik heb drie keer de vraag gehad of dat echt mijn kind is.”

Omdat ze niet getrouwd zijn, moest Banjaktoetoer de baby officieel erkennen voor de geboorte. De ambtenaar zei toen dat sommige mensen dan kiezen voor de meest Nederlandse achternaam. “Wij hebben er juist expres voor gekozen om Noël de Molukse achternaam te geven,” zegt Banjaktoetoer. “Er is maar één ­familie met die achternaam naar Nederland gekomen, die willen we ­doorgeven.”

Sinds een paar weken merkt Kooijmans dat Noël zijn huidskleur begint te zien. “Op een gegeven moment zullen we het gesprek met hem moeten voeren dat anderen hem op zijn huidskleur kunnen beoordelen. Dat dat niet eerlijk is, maar dat dat wel gebeurt. Ik weet niet hoe ik hem daarop moet voorbereiden. Zelf heb ik dat ­gesprek nooit gehad met mijn ­ouders.”

“Ik heb daar ook nooit bewust over ­gesproken met mijn ouders. Maar de strekking in hoe ze mij opvoedden, was wel: ­gedraag je, want als je dat niet doet, word je als ‘anders’ gezien.” 

‘Je zoekt er toch iets achter als een witte man je leuk vindt.’Beeld Marie Wanders

Sioejeng Tsao (28) en Rian van Gend (33) wonen in Oud-West en zijn drie jaar samen.

Hoewel Sioejeng Tsao, die van Chinese ­afkomst is, al vaker met witte mannen ­gedatet had, was ze op haar hoede. “Aziatische vrouwen worden vaak geseksualiseerd, dat is me in het verleden ook overkomen. Je zoekt er toch iets achter als witte mannen je leuk vinden.” Ze leerde haar vriend Rian van Gend drie jaar geleden kennen via Tinder. “Als witte man heb ik het privilege dat ik niet bezig hoef te zijn met etniciteit als ik op datingapps zit. Wel merkte ik dat ik vrouwen met Aziatische trekken aantrekkelijk vond.”

Het gevoel een ‘trofeetje’ te zijn, bleef Tsao de eerste anderhalf jaar van hun relatie bij. “Het was duidelijk dat we gek op ­elkaar waren, maar ergens was er altijd een stemmetje in m’n hoofd dat hij me vooral leuk vond om m’n Aziatische uiterlijk. Als je vanaf de basisschool denigrerende opmerkingen krijgt over je uiterlijk en je duidelijk wordt gemaakt dat je ­Chinese afkomst niet aantrekkelijk is, ben je wantrouwig als iemand je ineens wél mooi vindt. Dat is iets waar veel Aziatische vrouwen mee worstelen.”

Toen Tsao het er met haar vriend over probeerde te hebben, was zijn eerste ­reactie dat ze zich aanstelde. Van Gend: “Maar naarmate we er meer over praatten, ontdekte ik dat het voor mij makkelijk is om dit aan de kant te zetten. Ik heb hier immers nooit over na hoeven denken.”

Dat is een van de dingen die hij zo leuk vindt aan haar, zegt hij. “Ze daagt me uit om dingen anders te zien en een beter mens te worden.” Tsao zag op haar beurt nooit eerder een gelijke in een partner. “Ik maakte mezelf klein, maar bij Rian voel ik die behoefte nooit.”

Toch brengt het ook uitdagingen met zich mee om verschillende etnische achtergronden te hebben, zeggen ze. “Ik word elke keer herinnerd aan hoe het grootste deel van Nederland denkt. Rian is voor mij een constante spiegel. Dat is confronterend, als we bijvoorbeeld een discussie hebben over racisme en hij mij niet begrijpt. Tegelijkertijd is het ook goed, want uiteindelijk wil ik bruggen slaan. Daarvoor moet ik beide culturen begrijpen.”

Van Gend ondervindt door zijn vriendin aan den lijve hoe racisme zich uit. “Het is veel constanter dan veel witte mensen denken. Als vrouw van kleur sta je de hele dag aan, doordat je je hyperbewust bent van je omgeving. Dat is vermoeiend.” Tsao vult aan: “Ik sta altijd symbool voor een hele groep. Als ik door rood loop, sta ik symbool voor alle Chinezen. Loopt een wit persoon door rood, dan is dat een ­individu.”

Tegelijkertijd moet Van Gend zich erbij neerleggen dat hij het nooit helemaal zal begrijpen. “Natuurlijk hebben we het er veel over, maar ik kan ook niet van Sioejeng verwachten dat zij mij constant alles uitlegt. Daarin zal ik mijn eigen huiswerk moeten doen.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden