PlusAchtergrond

18 skeletten gevonden bij de UvA. Hoe komen ze daar, en wat leren we ervan?

Deel van een opgegraven kinderschedel. De porositeit (kleine gaatjes) in de oogkassen wijst vermoedelijk op een vitamine-gebrek.   Beeld Jakob van Vliet
Deel van een opgegraven kinderschedel. De porositeit (kleine gaatjes) in de oogkassen wijst vermoedelijk op een vitamine-gebrek.Beeld Jakob van Vliet

Bij de graafwerkzaamheden op het Binnengasthuisterrein bij de UvA zijn achttien skeletten en een ‘nestje van losse schedels’ gevonden. Hoe komen ze daar? En wat leert deze vondst ons over de vroegere stad?

Op de tweede verdieping van het gebouw van het Amsterdam Centre for Ancient Studies and Archaeology (ACASA) aan het Turfdraagsterpad buigen Ranjith Jayasena en ­Maja d’Hollosy zich over het skelet van een kind, botje voor botje uitgelegd op een hoge tafel. Uit de porositeit van de oogkassen leidt D’Hollosy af dat het tien tot twaalf jaar oude kind waarschijnlijk een gebrek aan vitamine B9 en B12 moet hebben gehad – “Een soort bloedarmoede.” Die vaststelling is weinig bijzonder, zou je kunnen denken, tot je weet dat het kind minstens vier eeuwen geleden is ­overleden.

Gemeentelijk archeoloog Ranjith Jayasena (44) is ­bepaald in zijn sas met de vondst van achttien skeletten in keurige graven en twintig losse schedels in een ‘schedelnestje’ onder de in 1900 gebouwde Tweede Chirurgische Kliniek – waar de nieuwe Universiteitsbibliotheek komt (zie kader). Hem gaat het niet per se om de CSI-achtige ­uitstalling zoals die hier vandaag in het laboratorium is te zien. Jayasena was als projectleider betrokken bij de ­opgravingen voorafgaand aan de bouw van de nieuwe universiteitsbibliotheek ter plekke, en raakte evenzeer ­enthousiast bij de aanblik van aardewerken kommetjes en bordjes in een beerput. “Die waren duidelijk als uniforme partij ingekocht, zoiets zou je niet vinden in de beerput bij een normaal woonhuis.”

In de onderzoekskamer van ACASA wijst Maja d’Hollosy (57), fysisch antropoloog, op de heupbotten van een skelet op een andere tafel. “Deze meneer heeft aan een ernstige vorm van artrose geleden, maar alleen aan de rechterkant van zijn heup, de linkerkant is opvallend intact gebleven. Tegenwoordig krijg je dan een metalen kop op het gewricht.”

Mooie link naar het heden, vindt het onderzoeksduo: dezelfde ziektes bestaan nog altijd, terwijl andere ziektes uit dezelfde tijd – zoals de pest – juist zijn verdwenen.

Klontbotje

Hoe weet D’Hollosy zo zeker dat het een meneer betreft? “Zijn bekken is nauwer dan dat van een vrouw, en het klontbotje achter het oor en het wenkbrauwbot zijn bij mannen groter.” De man van 1,88 meter lang zal zijn gestorven tussen zijn veertigste en zeventigste, ‘waarschijnlijk ­was hij ergens in de vijftig’. Als fysisch antropoloog onderzocht D’Hollosy de achttien opgegraven skeletten (“Ik maak ook gezichtsreconstructies, maar niet hier, voor een andere opdrachtgever”).

De archeologen van de gemeentelijke afdeling Monumenten en Archeologie zijn mannen – de gemeente Amsterdam heeft momenteel geen vrouwelijke archeologen in dienst – die geen moeite hebben met het ontcijferen van middeleeuwse kaarten, noch ervoor terugdeinzen een schop in de grond te steken. Daarbij waren ze op de huidige skelettenvondst voorbereid. Bij proefonderzoek werd eerder al ‘vrij veel botmateriaal’ gevonden, zegt Jayasena. “Dat geeft aan dat de begraafplaats groter is geweest dan alleen de graven die we nu hebben gevonden.”

Onderzoeksduo Maja d’Hollosy (l) en Ranjith Jayasena. Beeld Jakob van Vliet
Onderzoeksduo Maja d’Hollosy (l) en Ranjith Jayasena.Beeld Jakob van Vliet

Ook de vondst van los begraven schedels, het zogenaamde schedelnestje, wijst daarop: het lijkt erop dat er een ­herbegraving is geweest.

Hoe vaak gebeurt het dat de archeologen gravend en spittend op skeletten stuiten? “Zo nu en dan, maar meestal op plekken waarvan we al weten dat er begraafplaatsen zijn geweest,” zegt Jayasena. Grijnzend: “Toen we het ­gebouw van The Dungeon aan het Rokin onderzochten, kwam daar een complete grafzerkenvloer tevoorschijn van de voormalige Nieuwezijds Kapel. Een spookhuis ­boven op duizend echte begravingen, dat hebben we dus ook al meegemaakt.” Dagelijkse kost vormen skelettenvondsten echter niet.

Terug naar het Binnengasthuis. “Er was daar een strookje van amper twee meter dat netjes bewaard was gebleven”, zegt Jayasena, “de rest was bij eerdere verbouwingen verstoord geraakt.” Daar lagen de kisten keurig in het ­gelid, met daarin achttien min of meer complete skeletten. “Dat zegt meer dan een losse schedel”, zegt D’Hollosy, “want bij een skelet heb je te maken met een hele persoon.”

Dat de botten zo goed bewaard zijn gebleven, is te danken aan de Amsterdamse ondergrond van klei en veen, gecombineerd met een hoog grondwaterpeil – zo werden ze niet blootgesteld aan lucht.

In zakken en kratten

Waarom werden de doden begraven waar ze werden ­gevonden? Jayasena: “Het heeft iets te maken met het nonnenklooster, maar het waren niet de kloosterlingen zelf, want die werden in de kloostergang begraven. Daarbij: het zijn dus niet alleen vrouwen; vooral mannen en kinderen. De graven stammen uit de nadagen van het klooster of van het Pesthuys, de periode 1575 tot 1625. De enige dateringsaanwijzingen komen van aardewerken scherven uit de grond, en de kisten waren te zeer vergaan.”

D’Hollosy: “Aan een skelet kun je niks zien, qua datering.” Jayasena nuanceert: “Als Forensische Opsporing (een ­politieafdeling, red.) bij ons langskomt, zeggen we: ‘Is het bot verkleurd, dan is het misdrijf verjaard, want dan is het een oud skelet’.”

Man in kist; een van de achttien gevonden skeletten onder het Binnengasthuis.   Beeld Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam
Man in kist; een van de achttien gevonden skeletten onder het Binnengasthuis.Beeld Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam

Nadat werk ‘in het veld’ erop zat, was het de beurt aan de gespecialiseerde archeologen – zo weet Jayasena bijvoorbeeld veel van aardewerk, maar niet per se van menselijke resten. Botten kregen een vondstnummer en gingen in zakken en kratten. Jayasena: “Bij ons op kantoor hebben we ze gewassen met water en een zachte borstel, waarna ze naar de specialistische onderzoeksruimte zijn gebracht, in dit geval naar Maja.” D’Hollosy: “Ik inventariseer het skelet, kijk wat het geslacht is, naar de leeftijd, de lengte, en via trauma naar ziektes en ongelukken.”

Waar is het onderzoek eigenlijk op gericht? Jayasena: “We onderzoeken hoe de ophogingen zijn gedaan, waar gebouwen en gebouwtjes stonden, en hebben jaarringonderzoek gedaan aan de hand van de eiken balken en funderingspaaltjes. We bezien de verbouwingsgeschiedenis, de inhoud van de beerput. Uiteindelijk wil je deze vondst in het grotere verhaal van de stad passen.”

“Met elk ­onderzoek komen ook weer nieuwe vragen boven; we ­verklaren met deze skeletten niet hoe de Amsterdammer leefde in 1600. Maar in combinatie met andere onderzoekingen kunnen we op een dag wel het hele verhaal van Amsterdam vertellen: hoe woonden we vroeger in de stad? Hoe werd er gebouwd, wat was de ondergrond, wat werd er weggegooid? Het is een interdisciplinair onderzoek, ­samenwerkend reconstrueren we onze ­eigen geschiedenis.”

D’Hollosy, stoïcijns: “Een skelet moet je in z’n context zien.”

Medisch verleden

Het Binnengasthuisterrein was aangemerkt als een ­zogeheten ‘verwachtingsgebied,’ een plek waarvan de graaf- en modderwerkers van de gemeentelijke afdeling Monumenten & Archeologie op basis van kaarten en tekeningen vermoeden dat er historische overblijfselen te vinden zijn. “We konden er van alles verwachten,” zegt ­archeoloog ­Ranjith Jayasena.

Het terrein tussen de ­Kloveniersburgwal en de Oude Turfmarkt was tot en met de veertiende eeuw een moeras in de bocht van de Amstel; ongeschikt voor ­bewoning. Uit archeologisch onderzoek bleek dat er in de vijftiende en zestiende eeuw veel aan landwinning en ophoging werd gedaan om de drassigheid begaan- en bewoonbaar te maken.

Tijdens de opgravingen kwamen er funderingsresten van kloosters aan de oppervlakte: eikenhouten raamwerken van korte paaltjes, niet de heipalen die vanaf de zeventiende eeuw werden gebruikt. Op de plek waar de nieuwe Universiteitsbibliotheek komt, stonden een paar bijgebouwtjes naast een open terrein. Jayasena: “We vermoedden daar iets te vinden, maar we wisten niet wat.”

In 1578 vond de alteratie plaats: het katholieke stadsbestuur werd een protestantse, kerkgebouwen werden protestants, kloosters kregen andere functies. Op het Binnengasthuisterrein verrees het Sint-Pietersgasthuis – een ziekenhuis – en een Pesthuis (in 1589). “Daar konden onze vondsten allemaal mee te maken hebben,” aldus ­Jayasena.

In 1626, na het Pesthuis, verscheen ter plekke het ­Verbandhuys, de chirurgische afdeling van het gasthuis. Dat is tot 1897 blijven staan en gesloopt voor de bouw van de Tweede Chirurgische Kliniek – het pand dat er nog staat. Het ­Binnengasthuisterrein heeft zodoende een ziekenhuisgeschiedenis van bijna een half millennium.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden