Plus Reportage

100 jaar Parochiekoor Cantemus Dominum: ‘We hebben veel lol’

Beeld Dingena Mol

De losse sfeer en gedeelde humor houden het Latijns Parochiekoor Cantemus Dominum al bijna honderd jaar op de been. Tijd voor een jubileumboek.

Heldere zangstemmen weergalmen onder de verduisterde gewelven van de Augustinuskerk op de Amstelveenseweg. Hoge bakstenen muren. Glas in lood. Lege kerkbanken. Koud marmer. De vage geur van hout en wierook.

Het is een woensdagavond die kolkt van het wereldnieuws, maar in de kerk heerst de mystieke, tijdloze sfeer van eeuwenoude gezangen en geschriften.

Drie lampen zetten het veertigkoppige Latijns Parochiekoor Cantemus Dominum in een ovale lichtbundel. Liedboeken in de kom van hun hand. In de rug de bescherming van een altaar met kaarsen en een verguld kruisbeeld. Sommigen hebben hun jas aangehouden tegen de klamme kilte, anderen zingen zich liever warm.

“Laten we psalm 122 zingen,” stelt dirigent Frank de Ruyter (36) voor. Met zijn potlood tekent hij sierlijke golfjes in de lucht om de melodie aan te geven.

“Let op, er is bij dit stukje geen tijd om te ademen. Ik ga niet inhouden, wacht niet op jullie. Het gaat gewoon door. Ja, mensen het leven is hard en oneerlijk,” zegt De Ruyter met onderkoelde ironie. Dat zal hij die avond vaker doen. Want hoe serieus de gewijde muziek ook mag zijn, het is onder meer dat gedeelde droge gevoel voor humor dat het Latijns Parochiekoor al zo veel woensdagavonden bijeenhoudt.

Rutger de Looij (38), Nikegympen en skinny jeans, sloot zich dit jaar aan bij het koor. Elke woensdag reist hij vanuit Leiden naar Amsterdam voor de repetities. Geconcentreerd zingt hij zijn partijen mee. Zijn sluike, bruine haar valt als gordijntjes langs zijn gezicht.

Even zag het ernaar uit dat De Looij nooit zou gaan zingen. “Als kind ben ik geopereerd aan mijn stembanden. De dokter gaf me het advies nooit te gaan roken en nooit te gaan zingen. Natuurlijk ben ik allebei tóch gaan doen. Van dat zingen heb ik geen spijt gehad. Ik nam zanglessen en het gaat nu steeds beter.”

De Looij had geen flauw idee wat hij kon verwachten, toen hij zich aanmeldde voor het Latijns Parochiekoor Cantemus Dominum. “Straks is het heel saai of stijf, dacht ik. Het tegendeel was waar. Ik kan erg met iedereen ­lachen. Het is gezellig en los. Na afloop van de repetitie gaan we altijd nog wat drinken bij café Anno 1890 tegenover de kerk.”

De Looij had zich ook bij een ander soort koor kunnen aansluiten, maar deed dat bewust niet: “Ik hou nu eenmaal erg van kerkmuziek. Tja, en van trash metal,” voegt hij er onbewogen aan toe, tot hilariteit van de anderen.

Zingen en voetballen

De Looij is het jongste lid van het koor, dat op 13 juni 1920 werd opgericht en komend jaar zijn honderdste verjaardag viert. Zondag wordt ter gelegenheid daarvan het jubileumboek Honderd jaar zingen pro Deo gepresenteerd.

“We begonnen destijds als herenkoor,” zegt Theo van der Meer (59), achttien jaar koorlid en auteur van het boek. “In de jaren vijftig gingen ook jongens meezingen in het koor. Die kwamen veelal uit de omliggende woonwijk.”

Frans Ariëns (88) weet dat nog goed. Toen hij acht jaar was, sloot hij zich, net als veel andere jongens uit de buurt, aan bij het koor. “Mijn vader zat er ook bij. Elke zondag om negen uur zongen we in de kerk. Ik vond het heerlijk om te doen en had een heel behoorlijke stem. Die heb ik nu, tachtig jaar later, nog steeds. Het zingen wisselde ik af met voetballen. Veel jongens uit het koor deden dat. We trapten een balletje en gingen daarna de kerk in om op te warmen.”

Ariëns is bij het koor gebleven. “Er zijn maar twee redenen waarom ik zou kunnen stoppen. Als mijn stem het ­begeeft en als ik niet meer kan staan bij het zingen. Zitten wil ik écht niet; je hoort te staan.”

Toen steeds minder jongens zich aanmeldden voor het Latijns Parochiekoor Cantemus Dominum, werd rond 1965 besloten er ook vrouwen bij te betrekken. Zo ontstond een gemengd, vierstemmig koor met een vaste dirigent en begeleider op het orgel. Van der Meer: “We verzorgen eens per zes weken de hoogmis op zondag en zingen tijdens belangrijke feestdagen als Pasen, Pinksteren en Kerstmis. Ook het Herdenkingsconcert op 4 mei is een jaarlijkse traditie geworden.”

Tal van hoogtepunten maakte het koor de afgelopen ­decennia mee. De hoogmis die het verzorgde in de beroemde basiliek Sainte-Clotilde in Parijs; de middagviering op Hemelvaartsdag in de St. Pietersbasiliek in het ­Vaticaan; het optreden boven in de Dom van Aken tijdens de zondagsviering.

Elk jaar maakt het koor een uitje. “Dit jaar was dat een verrassing in de kelder van de kerk. Het bleek een Brazi­liaanse trommelworkshop te zijn,” zegt De Looij.

Hennie de Ruijter (62) organiseerde dat. “Voor een uitje hoef je niet per se weg. ‘Uit je’ kan natuurlijk ook betekenen dat je je moet uiten. Dat gaat prima met trommelen. We hadden veel lol.”

Hoe gedenkwaardig die belevenissen ook zijn, Richard Nieuwenhuizen (63) memoreert het liefst de momenten die de koorleden heel dicht bij elkaar brachten. “We hebben bijvoorbeeld de ernstig zieke echtgenoot van een van onze koorleden tot het laatst toe verzorgd. Om de beurt gingen we erheen om mantelzorg te verlenen. Het koor was als één ziel. Dat was zo bijzonder. Het laat zien dat we echt één geheel zijn.”

Latijns Parochiekoor Cantemus Dominum repeteert elke woensdag-avond in de Augustinuskerk op de Amstelveense-weg. Uiterst links Hennie de Ruijter, derde van links Jessica Tummers. Beeld Dingena Mol

Nieuwenhuizen behoort al 26 jaar tot het koor. “Mijn ­vader zong er vroeger ook in. Ik vond het als kind helemaal niks en wist zeker dat ik dat nóóit wilde.”

Nieuwenhuizen, die het aannemingsbedrijf van zijn vader had overgenomen, hield dat lang vol. Tot hij in 1993 de kans kreeg de nieuwbouw van de Rooms-Katholieke Begraafplaats Buitenveldert, een opdracht van de Augustinusparochie, binnen te halen. “Ons bedrijf verkeerde op dat moment in zwaar weer en die klus zou onze omzet een enorme impuls geven. ‘Als we die opdracht krijgen, ga ik bij het koor,’ zei ik tegen mijn schoonvader.”

Het project ging door en Nieuwenhuizen hield woord. Met zijn 37 jaar was hij toen het jongste koorlid. “Mijn vader was in 1988 al overleden, dus hij heeft het helaas niet meer meegemaakt. Ik zong puur op gevoel, want kon geen noot lezen. Wel kreeg ik er meteen plezier in. Mijn vader kwam vroeger altijd zingend thuis. Ik doe nu precies hetzelfde en begrijp waarom het hem zo blij maakte.”

Biechthokjes

Ook Jessica Tummers (62) raakte later weer in vervoering van de muziek uit haar jeugd. “Ik kom uit een erg ­katholiek nest in Nijmegen. Mijn vader was organist en had de sleutel van de kerk. Terwijl hij op het orgel studeerde, speelden wij als kinderen in de biechthokjes. De sfeer vond ik magisch. De glas-in-loodramen, de lichtinval. Maar toen ik ouder werd, vertrok ik naar Amsterdam en verdween de kerk uit mijn leven. Tot ik in Amstelveen ging wonen en de zondagsklokken van de Augustinuskerk hoorde. Mijn kindertijd kwam weer helemaal boven.”

Met kerst bezocht Tummers de nachtmis, die werd verzorgd door het Latijns Parochiekoor Cantemus Dominum. “Wow, dit is toch wel heel bijzonder, dacht ik. Richard, de voetbalcoach van mijn zoon, haalde me over om me aan te sluiten bij het koor. Nu ben ik alweer twaalf jaar lid.”

Nieuwenhuizen ziet graag nog meer nieuwe leden ­komen. “We willen graag tweehonderd jaar worden. Om het voortbestaan te waarborgen, kunnen we jonge aanwas goed gebruiken!”

Het jubileumboek Honderd jaar zingen pro Deo is te koop bij Boekhandel Blankevoort in Amstelveen of te bestellen via lpk@cantemusdominum.nl.

Tijdens de koffiepauze in de pastorie praten de koorleden even bij. Uiterst links Jessica Tummers: ‘Mijn kindertijd kwam weer helemaal boven.’ Beeld Dingena Mol
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden