Kunst & Media Bewaar

Amsterdams lijflied 9: tóch Amsterdams

Amsterdams lijflied 9: tóch Amsterdams
© UNKNOWN

In tien weken kiezen we in tien rondes met elk tien liedjes het beste lied van de stad: het Amsterdamse Lijflied. In aflevering negen: tóch Amsterdamse liedjes. Het woord Amsterdam komt er niet in voor, maar ze zijn onmiskenbaar van ons. Onderaan de pagina kunt u luisteren naar de liedjes en stemmen op uw favorieten. (Paul Arnoldussen)

Bestel hier uw kaarten voor Het Amsterdamse Lijflied op 14 november in Carré

1. De dievenwagen

Willy Chanson, eigenlijk Willem Munnik, (1884-1942), de schrijver/componist van het lied, was razend populair als de helft van de gebroeders Chanson. En dan vooral in hun act van het komisch duo Mie en Ko, een soort voorloper van Snip en Snap.

Munnik schreef tientallen liedjes en tussen de lachsalvo's door was er dan plotseling, in 1924, De dievenwagen, waar tot op de dag van vandaag menig traantje bij wordt gelaten.

't Is altijd geen dief die de wagen ingaat./ En da's natuurlijk weer het mooie./ Het zijn soms die jongens, die geen dienst willen doen/ en die ze de nor maar in gooien./ Maar hij die vermoordt - en geld heeft, zo'n ploert,/ hem wordt steeds die schande vermeden./ Hij wordt echt niet met die wagen vervoerd/ maar in z'n eigen auto gereden.

De dievenwagen is mooi gezongen door Willy Alberti, en voor het eerst vertolkt door George Hofmann, die we ook kennen van dé topper uit1920, Hittepetit (wist ik maar wat er in je kopje zit), maar vooral van Jans Pommerans uit Nieuweschans, een lied van Van Tol.


2. Moeder wil dansen
Sarcasme anno 1927 van Louis Davids: Moeder heeft haar daaglijks pretje,/ vadertje zingt bij je bedje./ pappie zal je liedjes zingen,/ voor zijn kleine zoon./ Mammie houdt meer van de banjo/ en de saxofoon./ Mammie is dansen, baby wees maar stil.

Werkloosheid en honger schrijnt, de Volkerenbond wordt doodgedrukt, maar moeder weet van geen ophouden en flirt met de jongens van de band. En waar danste moeder zoal? Dat horen we ook van Davids: bij La Gaîté, waar Jack de Vries' Internationals de thé-complet opvrolijkten, en bij La Reserve op het Rembrandtplein, na de oorlog omgedoopt tot Femina. In het lied zit mammie ook bij Paul Whiteman, ondergaat de jazz.

Paul Whiteman was een begrip geworden in Nederland en dat kwam door zijn concerten een jaar eerder in Scheveningen en Amsterdam. Het dansen was rond die tijd nogal controversieel. Tot 1924 was het in de praktijk in het openbaar verboden, de calvinistische burgemeester De Vlugt vond het onzedelijk en gevaarlijk voor de gezondheid en verstrekte er tot 1924 geen vergunningen voor. En daarna zelden.

Nog in 1923 voerde Louis Davids de revue Amsterdam wil dansen op. Waarschijnlijk komt daar zijn smakelijke rijmpje uit: As ik de burgemeester was,/ dan dacht ik bij me eige:/ Wie danse wil danst en wie springe wil springt/ en laat se de senuwe krijge.


3. Daar is de orgelman

Een beroemde creatie van Wim Sonneveld was Willem Parel, 'zoon en kleinzoon van een orgeldraaier en tevens voorzitter van het En-Pé-Gé, het Nederlands Parel Genootschap'. Door Sonneveld zelf bedacht, vanaf 1952 een vast element in het Vara-radioprogramma Showboat.

Al snel ging Eli Asser de teksten ervoor schrijven. Parel - de naam was uiteraard afgeleid van de beroemde Amsterdamse orgelfamilie Perlee - had het met graagte over het orgeldraaien in het algemeen en de 'seksuale' problemen van de orgeldraaier in het bijzonder. Nog tientallen jaren gevleugelde woorden: 'Niet op reageren Lena,' een uitdrukking door Sonneveld geplukt uit het in 1914 door Jan Fabricius geschreven toneelstuk Onder één dak, en 'wáááterverf' uit het vocabulaire van Asser zelf. Voor het eerst werd op de radio het woord 'rot' gebruikt. Dit alles uitgesproken in een weinig spontaan Amsterdams.

Maar toch, met die orgelman uit de Jordaan effenden Sonneveld en Asser het pad voor het landelijke succes van de Jordaanzangers vanaf 1955.

Opname uit 1954, tekst en muziek van Jean Senn, de schuilnaam van Hubert Janssen, de toenmalige partner van Wim Sonneveld.


4. Een pikketanussie
Het ging niet zo goed met Johnny Jordaan. In 1958 verminderde de belangstelling al enigszins voor hem, op geld lette hij niet zo en dat wist zijn omgeving maar al te goed. Een depressie, suikerziekte, maagzweer, narigheid. Hij stapte in een vreemde onderneming: een Jordaancabaret in Scheveningen. Dat verliep, een muziekcafé in Rotterdam werd natuurlijk ook niets en een soortgelijke zaak in Antwerpen evenmin.

Heimwee knaagde, belastingschuld weerhield hem van een terugkeer, maar Tante Leen haalde hem over en zijn platenmaatschappij hielp hem financieel uit de brand. En Harry de Groot schreef een enorme hit voor hem: Een pikketanussie (1968).


5. We gaan naar Bakkum
De site Bakkum Op Z'n Kop, alles over het badplaatsje, meldde op 17 juni: 'BOZK! Breaking News: Kobus Robijn leeft nog!' Dat was inderdaad sensatie, want niet lang daarvoor had de site op gezag van de vereniging Oud Castricum bericht dat de zanger van 'het volkslied van Bakkum' gestorven was op 2 november 2002. Die exactheid was nogal overtuigend.

Ook nu nog kan Kobus Robijn (1943) vanaf de Costa Blanca, waar hij sinds 2003 met zijn vrouw woont, zijn dood tegenspreken. Zijn carrière: kort maar stormachtig. Begonnen bij een talentenjacht in 1955 in het Roothaanhuis op de Rozengracht. Diezelfde avond al zat organisator Kees Manders bij ze thuis, Tuinstraat 170 huis, achter. 'Mijn vader met een dikke, door Manders gepresenteerde sigaar van 1 gulden 75 in zijn hoofd.'

Grootste succes: Dat Bakkumlied met op de andere kant Klaar...over.

In 1958 hield Kobus het voor gezien, tientallen jaren stond hij met de kraam Jojo's vishandel in Amstelveen.

Bakkum was een zomerse enclave van Amsterdam. Op een lekker ritme en in authentiek Amsterdams: In Bakkum swemme toch geen grote haaie/ dus neem een duik of gaan eens pootje baaie.


6. Hongerwinter
'Kun je Carmiggelt op muziek zetten?' vroeg Jos Bloemkolk zich in 2004 in Het Parool af. Het antwoord: Ja, dat kan. Althans, je kunt een Kronkel nemen, de situatie daarin gebruiken en het bijbehorende Carmiggeltgevoel proberen om te zetten in bondige rijmende regels. De acteur, zanger en Carmiggeltfan Paul Passchier bewijst dat het kan.

Samen met componist Frans Ehlhart zette Passchier de dertien bewerkte 'stukkies', zoals Carmiggelt zijn bijdragen noemde, op de cd Fluiten in het donker. Hongerwinter is gebaseerd op een verhaal dat in de nog illegale krant verscheen. Een huisgenote wordt verdacht van stiekem alleen eten, ze blijkt taaitaai te hebben achtergehouden. Die godvergeten oorlog/ maakte hem zo moe/ Fien bespioneren/ wat een bespottelijk gedoe.


7. Geweigerd.nl
'Als je niet weet hoe het voelt om geweigerd te worden,/ Probeer dan door middel van deze rap wat wijzer te worden./ Ik kan met duizenden woorden klagen over het beleid,/ maar als er niemand luistert is het zonde van me tijd.

Nummer van de meest gevierde, altijd toch weer voor rede vatbare, opbouwende, aan Greenpeace en het Wereld Natuur Fond donerende rapper van Marokkaanse afkomst Ali B. uit zijn programma Ali B. vertelt het leven van de straat (2004). Tegen de Volkskrant dat jaar: 'Het lied kan ook op blanken slaan, op Chinezen, op ouderen, op wie dan ook. Je kunt geweigerd worden omdat je er niet stoer genoeg uitziet, of de verkeerde schoenen aan hebt. En je wilt alleen maar een avondje dansen. Ik kom op voor iedereen.'


8. Bloed, zweet en tranen
Het lied, uitgebracht in 2002, heeft helemaal niets met de stad te maken, maar het is meeslepend, én van de onmisbare André Hazes én een lied van de Ajaxtribune. Wordt ook wel een per ongeluk gedraaid in De Kuip in Rotterdam. En het is regelmatig te horen bij Willem II in Tilburg, en dat is niet per ongeluk maar met alle recht. Het nummer is geschreven, gecomponeerd en opgenomen (maar nooit in de handel gebracht) door de Tilburgse blueszanger/gitarist/ Ton Leijten (1947-2005).

Dat is boven de grote rivieren niet zo doorgedrongen. Hazes heeft de tekst nogal veranderd. Overeenkomst: rijmen liet hen beiden koud.


9. Mijn club
Jiskefet-lied van rond 2003, gezongen door Kees Prins (ook tekst), muziek Vincent van Warmerdam. Oorspronkelijk een parodie, maar kom daar maar eens om bij de F-Side. Dit is mijn club,/ mijn ideaal,/ dit is de mooiste club van allemaal./ Hier ligt mijn hart, mijn vreugde, mijn verdriet./ Het kan dooien, het kan vriezen, we kunnen winnen of verliezen,/ maar een betere club dan deze is er niet. Kees Prins tegen Jop van Kempen in Het Parool van 2009: 'Eigenlijk gaat het lied over elke club. Heracles had het ook kunnen omarmen. Maar omdat ik het met een Amsterdams accent zing, is het logischer dat het bij Ajax is terechtgekomen.'

Ajax draait het lied bij elke thuiswedstrijd, zij het in een verkorte versie.


10. Deze stad
Tekst Huub van der Lubbe, muziek Nico Arzbach en Pim Kops. Komt van de cd Niemand in de stad uit 1989, en die geldt nog steeds als een hoogtepunt van de voor velen beste band in de stad, De Dijk, opgericht in 1981.

En wat draait ze met haar heupen/ en wat sluit haar truitje nauw./ Deze stad is een veel te mooie vrouw,/ een veel te mooie vrouw./ Je geeft alles wat je hebt/ maar zij geeft geen moer om jou, aldus de tekst op de site van De Dijk. Maar we horen Huub van der Lubbe daar toch echt aan toevoegen: Maar wat zou dat nou. Een tegemoetkomend zinnetje dat deze stad op prijs stelt.

Van der Lubbe had oorspronkelijk Deze stad is een veel te slechte vrouw geschreven. Maar dat klopte niet. Het moest een veel te mooie vrouw zijn, één die kan verleiden, maar ook straffen.


Weemoed
De achtste ronde van Amsterdams Lijflied, 'Weemoed en verlangen', werd gewonnen door Hé Amsterdam met negentien procent . Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan gaat, met één procent minder, ook door naar de finale.



Bestel hier uw kaarten voor Het Amsterdamse Lijflied op 14 november in Carré