THEODOR HOLMAN

'Openmaken! Wij zijn van de Carolien Gehrels Overheids Kunst Politie. Wij komen uw kunst beoordelen!''
''O natuurlijk, komt u binnen... Ik heb net een schilderij afgemaakt dat u wel zal bevallen, het is een verzet tegen het Job Cohen-bashen.''

''Dat klinkt alvast goed.''

''Ja, en daarom heb ik hier een schilderij gemaakt waarop u Cohen ziet als weldoener, als bruggenbouwer - ziet u die brug hier, daar achter die moskee? - het is een portret dat, dacht ik, Cohen recht doet als burgervader: eerlijk, oprecht, groots, goed, mooi en trots. Positief, realistisch, en voor alle mensen!''
''Een geweldig schilderij, mijnheer Holman. Heeft u nog meer kunst die wij, als overheid, kunnen beoordelen?''
''Zeker. Hier hebt u de Noord/Zuidlijn. Station Vijzelgracht. Kijk eens hoe prachtig die huisjes hier staan, en waarom staan die huisjes hier zo schitterend, omdat de overheid, in dit schilderij, zich sterk heeft gemaakt voor een geweldige NZ-lijn.''

''Mijnheer Holman, dit is precies de kunst die wij graag zien. Het is exact zoals het is, en zoals het moet zijn. Hier krijgen de mensen een goed gevoel van.''

''Precies, agenten van de kunstpolitie, en daarom heb ik ook dit schilderij gemaakt...''

''Een ambulance?''
''Ja, maar kijk... Spes patriae heet het, de hoop van het vaderland, want om die ambulance heen ziet u allemaal vrolijke, lieve, behulpzame jongens die het ambulancepersoneel toejuichen en zeggen: dank, ambulancepersoneel, dat u mensenlevens redt, want wie weet moet u ons ook een keer redden!''
''Geweldige kunst, mijnheer Holman. Zo moet kunst zijn.''

''Voor mijn overheid doe ik alles, heren van de kunstpolitie.''

''Mijnheer Holman, heeft u nog meer?''
''Zeker, ik heb een serie gouaches, getiteld: Vreedzame moskeeën, een lithoserie voor Bert Koenders: Welbesteed ontwikkelingsgeld, en een schitterende portrettenserie - acryl op doek - van onze minister-president.''

''Kunt u misschien ook kunstbroeders aangeven die wij negatief kunnen beoordelen, mijnheer Holman.''

''Zeker... ik heb een lijstje.''