Romanschrijven is mijn vak, liet hij in februari nog optekenen. In die maand kreeg hij ook te horen dat hij darmkanker had. Met uitzaaiingen in de lever. Hij zette zich aan het schrijven van liefst twee romans. Die moesten nog af. Gisteravond overleed Adriaan Jaeggi (45), columnist en poëzierecensent van deze krant.

Adriaan Jaeggi (Wassenaar, 3 april 1963) studeerde Engelse taal- en letterkunde in Leiden. Begin jaren negentig, een jaar voor zijn afstuderen, werd hij redacteur van het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures. ''Ik heb schrijven altijd leuk gevonden, maar toen begon het me te dagen dat het wel eens een roeping zou kunnen zijn. PC was in zekere zin mijn schrijfopleiding,'' zei hij in een interview.

In PC ontpopte hij zich ook als dichter, onder het pseudoniem Simon Troost (een combinatie van de voetballers Simon Tahamata en Sjaak Troost). Die gedichten werden in 1994 gebundeld in Cowboys hebben het maar makkelijk.
In 1995 verscheen zijn eerste roman: De tol van de roem (Bert Bakker). Hij was redacteur bij de uitgeverijen Thomas Rap en De Bezige Bij, kreeg een column in De Groene Amsterdammer en schreef voor onder andere Bunker Hill, NRC Handelsblad en deze krant.

In 1999 brak hij voorzichtig door met zijn tweede roman, Held van beroep. Het komisch-dramatische verhaal van een jongen die opgroeit in een familie waar hij eigenlijk niet bij wil horen, werd genomineerd voor de Libris- en de AKO-prijs, bekroond met de Halewijnprijs, en vertaald in het Duits. De roman kreeg goede kritieken, en vooral zijn talent om te ontroeren en te doen lachen werd geroemd.

Wrange geestigheid, zo zou je zijn stijl kunnen omschrijven, en dat waren ook de woorden die poëziecriticus Piet Gerbrandy (de Volkskrant) gebruikte om Jaeggi's in 2002 verschenen dichtbundel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten (Prometheus) te karakteriseren.

Zeer trots was Adriaan Jaeggi dat twee gedichten uit die bundel werden opgenomen in de befaamde bloemlezing van Gerrit Komrij: De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten. Jaeggi kreeg een column in Volkskrant Magazine. In 2004 verscheen een verzameling van die columns onder de titel Luxeproblemen.

Dat de literatuur hem bezighield, werd duidelijk toen hij in 2005 de Gouden Doerian in het leven riep, de prijs voor het slechtste literaire boek van het jaar. ''Er komen zo veel slechte boeken uit.'' De prijs, eigenlijk een grap, ontketende tot zijn verbazing een storm van protest. ''Ik vind het een vorm van fundamentalisme als je geen kritiek op boeken mag geven.'' Hij was niet bang dat ooit een boek van hemzelf zou worden genomineerd. ''Ik heb vertrouwen in wat ik maak.''

Dat bijna grenzeloze optimisme karakteriseerde Adriaan Jaeggi. Hij was geen pessimist, maar vond ook dat er gerelativeerd moest worden. Dat deed hij ook toen hij - hij was al ziek - in deze krant een column kreeg. Over de Gouden Doerian zei hij: ''Maar als er één ding in Nederland serieus genomen wordt, is het literatuur wel. Dat juich ik natuurlijk toe, maar als het ten koste moet gaan van alle relativeringsvermogen en humor, dan maar niet serieus.''

Hij had ook andere passies. Koken bijvoorbeeld, hij had een tijd een kookrubriek in de Volkskrant. En trombonespelen (in de Boekenweek van 2006 verscheen zijn novelle Tromboneliefde). Maar wat hij het liefst deed, was schrijven.

En recenseren. Jaeggi's poëzierecensies in deze krant waren helder, goed geschreven en, het is bijna vloeken in de kerk, vaak ook humoristisch. Hij probeerde de lezer in duidelijke taal wegwijs te maken in het poëzielandschap. Er bestonden voor hem geen uitgesproken poëtische wetten. Hij bestreed moedwillig moeilijk doen, maar vond ook dat als je de hermetische poëzie van Kees Ouwens wilde waarderen, je zijn taal moest leren.

In 2006 werd Jaeggi, op eigen initiatief, de eerste stadsdichter van Amsterdam. ''De dorpsomroeper is terug,'' zei hij, maar hij nam zijn taak serieus en was ook zeer overtuigd van zijn eigen kunnen. ''Natuurlijk zijn er in deze stad dichters met dezelfde of misschien wel betere kwalificaties. Ik noem Remco Campert, Menno Wigman, Frank Starik... Maar ja, die hebben niet gesolliciteerd.'' Hij schreef gedichten over de nieuwe bibliotheek (OBA), Willem Bilderdijk, en enkele eenzame uitvaarten. De stadsgedichten zijn dit jaar gebundeld onder de titel Het is hier altijd laat van licht (Nieuw Amsterdam).

Vorig jaar verscheen zijn derde roman, Edele dieren. Niet de grote en meeslepende roman, waaraan hij al jaren werkte, en waarin hij tijdelijk was vastgelopen, maar een roman die even voorrang kreeg. Het boek, over een stel vrienden die in een huis bij Napels hun vakantie doorbrengen, maar die droomvakantie ervaren als een pijnlijke mislukking, werd in deze krant beschreven als 'een krachtige, herkenbare, geestige, dreigende roman'.

In een nummer van het literaire tijdschrift Bunker Hill beschreef Jaeggi zijn worsteling met het schrijven van zijn derde roman. In dat stuk staat één van de mooiste zinnen uit de Nederlandse literatuur. Na jaren zwoegen is de roman voltooid. Hij beleeft een schitterende zomer. Dan schrijft hij: 'Ik zwom elke dag met mijn twee dochters, die in de tussentijd lange benen hadden gekregen.' Daar mag hij, postuum, nog wel een prijs voor krijgen.

Bij een bezoek, in de laatste weken, kwamen zijn twee jonge dochters nog ter sprake. Hij was bezig brieven aan ze te schrijven. Veel brieven. ''Want ze mogen later niet vragen: wie was papa?'' Hij zei het met een lach. Tot het laatste ogenblik een schrijver. (MAARTEN MOLL)