Kunst & Media Bewaar

Amsterdamse striptekenaar Peter Pontiac (63) overleden

Peter Pontiac
Peter Pontiac © Het Parool/Geert Broertjes

In het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis is gisteravond Peter Pollmann, bij het grote publiek bekend als Peter Pontiac, overleden. De Amsterdamse striptekenaar en illustrator was al lange tijd ernstig ziek. Zijn lever werkte niet meer en Pollmann besloot dat hij niet verder behandeld wilde worden. Hij werd 63 jaar oud. Eind december sprak hij nog uitgebreid met Het Parool. Dat artikel leest u hieronder.

Mij verbaast het als mensen níet gefascineerd zijn door de dood. Hoe kun je zo'n onontkoombare zekerheid negeren?

Striptekenaar Peter Pontiac (63), die een levensbedreigende leverziekte heeft, werkt aan een boek over de dood. 'Mijn leven en werk zijn nu één.'

In een radioprogramma werd hem gevraagd of hij bang was voor de dood. 'Het is op de Nederlandse radio zelden zo lang stil geweest', zegt Peter Pontiac lachend. 'Er ontstond een enorm conflict in mijn hoofd: moest ik nou ja of nee zeggen? Ik wist het gewoon niet. De stilte werd pas doorbroken toen presentator Roel Bentz van den Berg een volgende vraag stelde.' Dat was tien jaar geleden. En nu, weet hij inmiddels of hij wel of niet bang is voor de dood? 'Nee, nog steeds niet. Tuurlijk, er zijn momenten dat het me aanvliegt, vooral midden in de nacht, maar ik ga niet gebukt onder doodsangst. Ik ben niet depressief, mijn vriendin en ik lachen heel veel. Tot nu toe houd ik me goed staande. Ik ga voor de stoïcijnentrofee. Take it like a man. Piepen kan altijd nog.'

Peter Pontiac (pseudoniem van Peter Pollmann) heeft een ernstige leverziekte. In 2010 kreeg hij te horen dat hij hepatitis C heeft (een gevolg van een heroïneverslaving uit een ver verleden), later kwam daar ook nog cirrose bij. De medische behandeling is, in overleg, beëindigd. De witjasindianen, zoals hij doktoren noemt, hadden hem niets meer te bieden. Alternatieve geneesmiddelen gebruikt hij nog wel. Hoe lang hij nog heeft, weet hij niet. 'Het kan maanden zijn, maar mogelijk ook jaren. Ik hoop vooral mijn boek af te kunnen krijgen.'

Dat boek heet Styx of de zesplankenkoorts en gaat over de dood. Op zijn tekentafel heeft hij er een dummy van liggen. In een gele map bewaart hij de pagina's die min of meer af zijn. 'Het moet een boek van ongeveer 150 pagina's worden. Ik heb er nu zo'n tachtig af, waar ik twee jaar over heb gedaan... Maar ik heb er in die tijd niet constant aan kunnen werken.'

Zo was er dit jaar een medische ingreep die niet naar wens verliep. 'Ik heb maanden met een enorm dikke pens op bed gelegen, ik kon helemaal niets. Ze hebben twaalf liter vocht bij me afgetapt.' Maar goed nieuws was er ook in 2014. Een crowdfundingactie voor zijn boek Styx bracht onverwacht snel het minimaal benodigde geld op. 'Ik vond het aanvankelijk heel gênant, zo'n bedelactie, maar het werkte wel.' Schoorvoetend meldt hij dat bijdragen nog steeds erg welkom zijn.

Parel voor het boek
Voor de crowdfundingactie maakte zijn dochter, die filmeditor is, een wervend filmpje waarin Pontiac vertelt dat het maken van Styx op een wedstrijdje armpje drukken met de dood lijkt. Niemand kan winnen van de dood, maar lukt het de tekenaar zijn boek af te krijgen voor hij overlijdt, dan is de uitslag 1-1. Zijn grote angst is dat hij het niet op tijd af heeft, waardoor de dood met 2-0 zou winnen. 'En dat gun ik hem niet.'

Hij wilde al lang een boek over de dood maken. Het idee ontstond nadat hij in 2000 Kraut had gepubliceerd, een veelgeprezen graphic novel over zijn vader, een man met een pikzwart oorlogsverleden die in 1978 spoorloos verdween op Curaçao. 'Na Kraut vroeg mijn uitgever Joost Nijssen op hem typerende wijze: 'En, wat wordt je volgende meesterwerk?' Na enige aarzeling antwoordde ik dat het een boek over de dood moest worden.'

'Ik wilde een onderwerp waarvan ik zeker wist dat het me niet zou gaan vervelen, maar het idee is tien jaar op de plank blijven liggen. Het is ook niet zo'n heel gezellig onderwerp natuurlijk. Toen ik hoorde dat ik een vooralsnog niet te genezen progressieve ziekte onder de leden heb, heb ik het idee weer van de plank gepakt.'

Autobiografisch
Het werk van Pontiac, die in de vroege jaren zeventig naam maakte als typische undergroundtekenaar, is altijd autobiografisch geweest. 'In Kraut speelde ik een bescheiden rol, dat ging over mijn vader. Styx is echt een boek over mijzelf. Mijn leven en werk zijn nu één ding. Bij tegenslagen die me op persoonlijk en medisch gebied treffen, denk ik meteen: ha! Weer een troef, een parel voor mijn boek. Kortom, ik kan alleen maar winnen.' Hij grijnst erbij als hij het zegt.

De dood is een levenslange fascinatie van hem. 'Dat schijnt mensen nogal eens te verbazen. Mij verbaast het als mensen níet gefascineerd zijn door de dood. Hoe kun je zo'n onontkoombare zekerheid negeren? 'Een zoeker van de waarheid bestudeert de dood,' zegt een wijsgeer wiens naam mij is ontschoten. Liefde, seks, geweld en de dood, dat zijn de vier grote thema's van het leven. Die eerste drie worden verheerlijkt, de dood wordt door iedereen gehaat.'

Stille epidemie
'De dood wordt gehaat' is ook de titel van het eerste hoofdstuk van Styx. De veertien hoofdstukken van het boek zijn gebaseerd op de veertien statiën waarmee in elke katholieke kerk de lijdensweg van Christus is afgebeeld. Als jongetje zat Peter Pontiac tijdens kerkdiensten in de Haarlemse Sint Bavo vaak geboeid te kijken naar de afbeeldingen, die je zou kunnen zien als de christelijke voorloper van het stripverhaal.

Draagt in de katholieke statiën Christus zijn kruis door de Via Dolorosa, in de Pontiacvariant zeult de Dood (een klassieke Magere Hein met zeis) een kist. Is het niet ingewikkeld om het verhaal op te hangen aan die veertien statiën? 'Het geeft me juist wel houvast. De statie 'Jezus troost zijn moeder' wordt bij mij 'De Dood troost zijn moeder'. Het geeft me de gelegenheid iets te vertellen over mijn moeder en haar sterven, maar ook over mijn jeugd en mijn kennismaking met de dood.'

Zijn eerste dode zag hij toe hij een jaar of tien was. 'Het was onze slijter, een man die wij 'Oom Molen' noemden, omdat hij in zijn etalage een molentje had staan. 'Ga je mee afscheid nemen van de slijter?' vroeg mijn moeder. Ik zal nooit vergeten hoe hij erbij lag: de man had maagkanker gehad en zijn gezicht was nog helemaal verwrongen van de pijn.'

Vanuit zijn werkkamer in een bovenhuis in Amsterdam-West kijk je uit op de kruising Jan van Galenstraat-Admiraal de Ruijterweg. Vier jaar geleden zag hij aan een over het kruispunt gespannen verlichtingskabel iets raars bungelen: een plastic skeletje. 'Het was op de dag dat ik te horen had gekregen dat ik hepatitis C heb. Zo bizar. Misschien hing het er al eerder, maar ik had het nooit gezien. Het heeft er lang gehangen. Maar eerst vielen de beentjes eraf, later was het hele poppetje weg.'

Dwangbevel
In Styx is het ene Sir Ringe (van syringe, het Engelse woord voor injectiespuit) die hem kond doet van zijn hepatitisbesmetting: in zijn hand heeft hij een dwangbevel voor het betalen van ruim 25 jaar achterstallige rente. 'Ik heb van mijn achttiende tot mijn 33ste heroïne gebruikt. Ik ben in 1983 gestopt, toen ik vader werd, net voor de grote aidsepidemie. Ik ben de dans ontsprongen, dacht ik. Maar na al die jaren kreeg ik alsnog de rekening gepresenteerd. Het overkomt iedereen die in de tijd gebruikte. Het is een stille epidemie.'

Tegenwoordig rookt hij alleen nog. Alcohol is uit den boze, zeker sinds hij, zoals de internist zei, een 'aanzienlijke' cirrose bleek te hebben. 'Geen straf, hoor. Alleen als ik naar bandjes ga kijken is het wel eens jammer. Rock-'n-roll op spa is toch behelpen. '

Over zijn heroïneverleden: 'Natuurlijk zou ik het anders aanpakken als ik het nog een keer over mocht doen. Ik ben een slachtoffer van Lou Reed.' Quasiverontwaardigd: 'Dat eerste album van The Velvet Underground, het nummer Waiting for my man... Je had toen ook al die hippiemuziek, waar verder niets mis mee was, maar ik viel voor de vuile grotestadsmuziek van The Velvets. Een junkie was something to be. De spanning van het scoren op de Zeedijk was telkens weer een kick. Maar de bottom line was dat ik mijn dagen sleet in vieze holen, waar ik met andere menselijke ratten zat te spuiten. Ik heb de prime van mijn leven vergooid aan drugs. Ik betreur het achteraf zeer, zeker met die onverwachte erfenis die ik eraan heb overgehouden.'

Heeft die periode hem ook in creatief opzicht niets opgebracht? De beklemmende koortsigheid bijvoorbeeld in vooral zijn vroege werk? 'Misschien dat ik als ik clean was gebleven echt prachtig werk zou hebben gemaakt in plaats van smoezelige dingen. Ik snap best dat daar voor een deel de aantrekkingskracht van mijn tekeningen in zat, maar ik was maar wat blij aan die smoezeligheid te zijn ontsnapt. En nu, dertig jaar later, nu ik ziek ben, zit ik er weer middenin. Als ik op straat loop, voel ik me na al die tijd toch weer een junk, een zieke oude junk.'