Een jaar na de ramp kom ik bij hem op bezoek. In zijn Bijlmer flat, met uitzicht op wat niet meer is. Hij zit, op die dag die geen dag wil worden, in de schemering. En ik vraag niet om licht, bang voor zijn gehavende uiterlijk. Pa Sem, Willem Symor, is geen klager, maar alles deed hem pijn. Zijn handen, in de elastische katoenen handschoenen: "Het vel staat nog te strak. Daarom word ik ook elke dag een paar uur gemasseerd. Ik weet niet of de therapie werkt, of het nog goed komt. Niemand weet dat. Hoewel, misschien weten ze het en durven ze het me niet te zeggen. Vind ik best; als ik zou horen dat die vreselijke pijn in mijn bovenarm blijft, dat ik mijn handen nooit meer kan gebruiken, zou ik misschien in paniek raken.'

Zelf had hij er geen weet van, hij lag nog in coma, maar kort na het neerstorten van het vliegtuig op de flat Groeneveen groeide hij uit tot de Held van de Bijlmerramp. Pa Sem, de toegewijde gastheer van de gemeenschappelijke ruimte Het Groentje, die de kleine Antilliaanse Reinaldo vanaf de achterste sjoelbak door de vlammenzee naar buiten loodste en daarbij zelf bijna om het leven kwam, leek na vijf jaar van de aardbodem verdwenen. Op de valreep vonden we hem. En het gaat Pa Sem goed.

Ik had gehoord dat hij tóch weer een cafeetje in de Bijlmer was begonnen, maar hij zegt: ''Ik kon geen vuist maken. En als je geen vuist kunt maken, kun je geen café runnen. Je moet een bierpomp open kunnen trekken, het lipje van een blikje frisdrank afscheuren. Dat ging niet meer. Nog steeds niet.

Zijn oren moesten nog operatief gerepareerd worden, vertelde hij toen. Maar het meest smartelijke van het interview lag in zijn laatste woorden: "Mijn plan was om terug te gaan naar Suriname. Nog één jaar, dan zouden we vertrekken. Ik heb m'n WAO, daar kan ik in Paramaribo heel goed van leven. Mijn huis staat er nog, alleen het licht en water zou ik moeten betalen. Maar nu kan het niet meer. De temperatuur... m'n huid kan er niet meer tegen. Die drie zomerdagen in mei, die waren zo erg voor mij, ik kan de zon niet meer verdragen. Te heet. En of dat ooit nog goed komt, ik weet het niet. Van niets weet ik of het nog goed komt: de pijn, de stijfheid. Het enige wat ik weet: ik zal nooit meer de oude worden. Wat ze ook zullen proberen, hoe vaak ze opereren, de oude zal ik nooit meer worden.'
En wie vinden we, stralend gelukkig, op de Via Bellalaan in Paramaribo? Willem Symor. ''Bijna twee jaar alweer! Het komt door de natuur, die doet zo veel goed. Ik heb geen pijn, ben niet meer ziek. Het is de temperatuur, het klimaat! Daar, bij jullie was het koud, toen had ik veel pijn, jeuken, naar. Nu zou ik iedereen uit het Brandwondencentrum willen aanraden naar de tropen te gaan. Ik doe nog wel m'n eigen therapie, hoor, 's morgens als ik uit bed kom, ga ik direct oefenen: touwtje springen, veertrekken, oprekken, van de glijbaan... als ik niks doe blijf ik stijf, dan komt de pijn.

''Daarna ga ik wat rommelen op het erf, een beetje schoffelen. Dan is het al heel heet, dertig, tweeëndertig graden, dus ik ga transpireren, en met dat zweten wordt mijn bloed warm. Dan heb ik geen pijn op mijn huid. Destijds was ik bang dat ik de zon nooit meer zou kunnen verdragen. Maar in '94 zei mijn dokter: 'Ga gewoon maar eens kijken'. Ik was er nog veel erger, toen. Nog allemaal wondjes aan mijn handen. Maar we zijn gegaan. Voor zes weken. En ik voelde: hé, ik heb geen last! Ik voel me hier heerlijk! ''
''Terug naar Suriname, dat zat altijd in mijn planning. Maar pas op m'n vijfenzestigste. Ik had het allemaal uitgestippeld. In de jaren tachtig dacht ik: ik heb hier zo lang met blanke mensen gewerkt, nu wil ik wel eens in Nederland met ze werken. de wereld zien, al die verhalen over daar, ik wilde dat met mijn eigen ogen zien. En dan terug. Maar ja, toen is dit me overgekomen. Dat veranderde alles.

Dit, zegt hij. Die zaterdagavond had hij een Antilliaans kinderfeestje gehad in Het Groentje. De volgende dag om twee uur opende hij zijn deuren, het stroomde direct vol met kinderen. "Plotseling was daar die knal. Ik roep nog: 'Nou zeg, wie schiet er nu vuurwerk af in deze tijd van het jaar?' Dat vliegtuig was vlak naast me terecht gekomen, ik was het laatste huis, de staart lag recht voor mijn deur! Alles vloog meteen in brand. De kinderen gilden in paniek: 'Pa Sem, we willen niet doodgaan! We willen toch niet doodgaan!' Zo veel rook... vlammen. Ik begon de kinderen te verzamelen en door het vuur zijn we naar buiten gerend. Daar begonnen toen de mensen uit de flats te springen... van zeshoog... van negenhoog. We stonden maar zo'n beetje verloren. Maar opeens zegt dat Antilliaanse meisje: 'Pa Sem, Reinaldo is nog binnen!' Ik draaide om m'n as als een draaitol: wat moet ik doen? Terug! Een paar Afrikanen probeerden me tegen te houden: Papa don't go back, you'll get burned. Door de vlammen ben ik naar achteren gelopen. Ik hoorde de jongen schreeuwen. Ik heb hem kunnen vinden: Loop voor mij! Nog een metertje'."

Een stalen pijp liet los toen Reinaldo er onderdoor liep. Pa Sem ving de pijp met de rug van zijn handen op. "Het ijzer schroeide in m'n huid en dat ding liet niet los. Ik probeerde hem af te schudden, kreeg hem op m'n hoofd, dan op m'n rug en steeds schroeide die vast. M'n hemd vloog in brand en ik dacht: nu is het gebeurd. Ik wist dat ik voor m'n leven moest vechten. En in een laatste poging kon ik die pijp afschudden."

Nu zegt hij: ''Elk jaar, nu ook weer, als vier oktober nadert, word ik overvallen door een ander gevoel. Ben ik een beetje verdrietig. Heel raar, dat ik denk: hé, nu alweer vijf jaar geleden ben ik verongelukt, was ik bijna overleden. Het duurt zo'n twee weken. Ik slaap niet. Of ik heb nachtmerries. Over vuur. Ik probeer het zo veel mogelijk te vergeten, maar dat gaat niet van de ene op de andere dag. Met Reinaldo heb ik geen contact meer, nee. Dat is zo moeilijk vanaf hier. Ik kan niet meer schrijven. Mijn hand kan geen pen vasthouden. En als ik met vakantie terugga: ik hoor dat de Bijlmer zo is veranderd, als ik daar kom ga ik zeker verdwalen! Dus ik weet niet of ik hem ooit nog terugzie.

'In Nederland was ik bekend. Maar hier niet. Vele mensen in Suriname wisten helemaal niet van de ramp. Het was die avond even op de televisie geweest, maar dat was alles. Oude vrienden die mijn gezicht zagen: 'Wat is er met je gebeurd? Hoe kom je zo?' Dan vertelde ik van mijn gevalletje. 'Dat is nieuws voor mij!' O, zeker, Nederlandse mensen, blanken, die hier op vakantie komen, die roepen meteen: 'Hé, Pa Sem, hoe is het met je?' Door de mensen die het weten, word ik behandeld met zo'n respect. Een dame op de receptie van Toradica: 'U bent Pa Sem!' Ze was op vakantie in Nederland toen het gebeurde. En ze vertelt aan iedereen die het maar wil horen: 'Dit is de held van de Bijlmer!' En mijn buurman, een Hindoestaan, heeft een zoon die rechten studeert in Amsterdam. Toen die jongen over was, herkende hij me direct. Daarna had de buurman groot ontzag voor me, nu is het Pa Sem voor en Pa Sem na.

''November vorig jaar werd ik zestig. Dat was een groot feest. Veel van mijn kinderen kwamen over. Hoeveel ik er heb? Nou... eens even kijken: daar is Marc en Clifton, Emu, Gerald, Willem, en dan de meisjes, Henna, en de kleine van 21. En hier in huis woont natuurlijk Tamara. Ze kwamen niet allemáál hoor, de twee meisjes konden geen vrij krijgen. Maar er waren zeker zo'n acht man in het huis. Iedereen zo blij, zo happy dat ik de zestig had gehaald..."
"Elke ochtend van zes tot kwart over zes is er op radio Apinti bazuinkoormuziek. En die dag, ik hoorde dat een aantal bewoners van de Bijlmer een speciaal programma voor mij hadden aangevraagd om me te feliciteren en sterkte te wensen. En naar de Ware Tijd, onze krant in Suriname, hadden ze een foto gestuurd. En een artikel. Dat is ook op mijn verjaardag geplaatst: 'Ga zo door! We leven met je mee!' Ik was echt verrast! Nog steeds weet ik niet wie dat allemaal georganiseerd hebben. Maar sindsdien, de mensen in Suriname herkennen me van de foto, en nu ben ik hier ook een beetje bekend geworden.

'Ik heb schadevergoeding gekregen, ja, maar daar moest eerst een hoop tamtam voor worden gemaakt. Ik weet niet precies hoeveel, maar behoorlijk wat geld, een goed aantal dollars. Het geld heb ik in Nederland achtergelaten, daar heb ik mijn eigen financieel adviseur, ik heb hem gemachtigd en hij stuurt me elke maand vijftienhonderd gulden. Daar kun je hier geweldig van leven, hoor. Want het is niet zo dat hier schaarste heerst, van álles kan je hier in de winkel kopen, alle etenswaren, buitenlandse artikelen. Als je maar geld hebt. Het probleem is, geld heeft hier geen waarde. Onze schoonmaakster krijgt vijftigduizend gulden in de maand. En dan betaal ik haar goed hoor, maar alleen al voor de bus is ze honderd gulden per dag kwijt, dus ze houdt bijna niks over. Voor mijn Nederlandse gulden krijg ik er hier tweehonderdvijftien. In de Bijlmer zou ik meer geld in de maand nodig hebben, daar zou vijftienhonderd gulden armoede zijn. Maar hier is het meer dan voldoende.

''Van die schadevergoeding had ik een huis gekocht in Geerdinkhof. Maar toen ik op vakantie hier was, de natuur, het weer, het strand... toen hebben we het verkocht en dit huis aan de Via Bellalaan gekocht. Heel mooi hoor. En groter dan in Amsterdam. Zeker de tuin. Die is van ons, hè, in de Bijlmer was de tuin in erfpacht, maar hier is het ons eigendom. Als ik zin heb, plant ik er groenten: boulanger, oker, antroua, kouseband, tairbladen... maar het is toch voornamelijk een siertuin. Daar rommel ik dan wat in. En verder, ik ga eens naar de stad, of ik ga zwemmen, ik verveel me niet hoor! Ik heb het hier echt reuze naar mijn zin.

Zijn dochtertje Tamara was vier toen de ramp zich voltrok. Ze zag haar vader brandend uit Het Groentje rennen. Hoorde een politieagent zeggen: 'Wat ontzettend jammer. Want Willem haalt het niet.' En toen hij drie weken in coma lag, wist ze niet beter of haar vader was dood. Daarom mocht ze hem, toen hij bij kennis kwam, opzoeken in Beverwijk, nog helemaal ingezwachteld, maar niet dood. Hoe gaat het haar nu?

''Ze is alweer negen. En ze doet het goed op school. De vierde klas. Ik moet bekennen, het eerste jaar waren er problemen. In eerste instantie wou ze hier niet blijven. Ik legde haar uit dat haar broer in Nederland haar op dat moment niet op kon vangen en dat papa voor z'n gezondheid in Suriname moest blijven. Het eerste jaar dat ze met haar moeder op vakantie ging... toen ze terug moesten was het huilen, huilen. Alle familieleden wonen daar, hè, de neefjes en nichtjes."

"Maar net zijn ze weer geweest, in september, en nu was er geen probleem. Omdat ze weet: volgend jaar zie ik iedereen toch weer. En misschien ga ik dan wel mee. Want heimwee heb ik niet, daarvoor is het hier veel te prettig. Maar wat zou ik de mensen toch graag weer eens terugzien!'' (LEONOOR WAGENAAR )