AMSTERDAM - Zelfmoordpogingen komen meer voor bij Turkse en Surinaams-Hindoestaanse meisjes dan bij Nederlandse meiden. Dat blijkt uit onderzoek van sociologe Diana van Bergen. Op 25 juni promoveert zij op dit onderwerp aan de Vrije Universiteit (VU) Amsterdam.

Van Bergen nam ongeveer vijfduizend middelbare scholieren uit Rotterdam onder de loep. Zij ontdekte dat bijna een op de vijf Surinaams-Hindoestaanse meisjes ooit een zelfmoordpoging had gedaan. Van de Turkse meisjes had een kleine 15 procent geprobeerd zich van het leven te beroven. Bij de Nederlandse meisjes lag dit aandeel net onder de 10 procent.

Marokkaanse meisjes doen juist minder vaak een zelfmoordpoging dan Nederlandse meisjes; 'slechts' 6,2 procent van hen gaf aan ooit een zelfmoordpoging te hebben gedaan.

Om achter de redenen te komen waarom de meisjes zelfmoord wilden plegen, interviewde Van Bergen vijftig vrouwen die een zelfmoordpoging hadden overleefd.

In de levensverhalen van de migrantenvrouwen bleek vooral de strijd met de familie over belangrijke keuzen in hun leven centraal te staan. Bij de Nederlandse meisjes was er vaak juist sprake van verwaarlozing door de familie.

''Van Surinaams-hindoestaanse gezinnen dacht ik altijd dat zij erg warm en hecht waren. Uit de gesprekken die ik voerde, bleek echter dat de thuissituatie bij hen die een zelfmoordpoging hadden gedaan juist hard en koud was'', aldus de onderzoekster.

Veel Turkse en Marokkaanse vrouwen gaven aan dat zij door hun ouders en familie gedwongen werden dingen te doen die zij achteraf eigenlijk niet wilden; zo werden meisje bijvoorbeeld van school gehaald om te trouwen met een man die door de familie was uitgezocht. Ondanks deze overeenkomst tussen de Marokkaanse en Turkse vrouwen, laten de Rotterdamse cijfers zien dat Marokkaanse meisjes veel minder vaak een zelfmoordpoging ondernemen. Mogelijk komt dit doordat Marokkaanse meisjes tegenwoordig sneller de strijd aangaan met hun familie, denkt Van Bergen. (ANP)