Opinie Bewaar

'Lerarenplan maakt goede scholen beter en zwakke scholen slechter'

'Lerarenplan maakt goede scholen beter en zwakke scholen slechter'
© ANP

Er zitten zeker goede kanten aan het plan om beurzen toe te kennen aan Amsterdamse leraren, bepleit hoogleraar onderwijssociologie Jaap Dronkers. Maar hij waarschuwt voor de nadelen: zwakke scholen blijven zwak en goede scholen worden beter.

Jaap Dronkers is hoogleraar onderwijs­sociologie aan de Universiteit Maastricht

Met zijn 'Lerarenagenda' trekt het nieuwe Amsterdamse college jaarlijks 6,5 miljoen euro uit voor beurzen voor leraren. Veertig procent van de leraren in basis- en voorgezet onderwijs kunnen de komende vier jaar daarvan gebruik maken.

Dit besluit betekent een breuk met de kwaliteitsaanpak van het vorige college, dat met een intensief programma probeerde zwakke scholen te verbeteren. Ondanks de spectaculaire afname van het aantal zwakke scholen in Amsterdam, liet een meer afstandelijke analyse zien dat deze aanpak niet zo succesvol was als het leek (Het Parool van 6 februari 2014).

Beter dan oude aanpak
Het goede punt van de Lerarenagenda is de versterking van de positie van de leraar als de spil in het onderwijs. Buitenstaanders vertellen leraren niet meer wat ze moeten doen om beter te functioneren. Zij zullen dat zelf uitmaken en zichzelf dankzij hun beurs verder verbeteren.

Dit kan een betere aanpak zijn dan de oude kwaliteitsaanpak. Goed toegeruste leraren, zowel qua inhoud als didactiek, dragen, naast de sociaal-economische samenstelling van de leerlingpopulatie, het meest bij aan een goede school.

De centrale positie van leraren is echter de laatste twintig jaar ernstig in het gedrang gekomen door de ­geringe kwaliteit van de lerarenopleidingen, de geringe aantrekkingskracht van het leraarschap, de slechte beloning, toegenomen macht van schoolbesturen en de zwakke en verdeelde professionele organisaties. De Lerarenagenda kan helpen daar verandering in te brengen.

Verschillende activiteiten
Zijn er dan geen negatieve aspecten aan de Lerarenagenda? Ik zie er drie: hobbyisme, selectiviteit en zwakke scholen. Op zich zijn die geen reden om de Lerarenagenda af te blazen, want elk beleid heeft negatieve aspecten. Het is de taak van de politiek negatieve en positieve aspecten tegen elkaar af te wegen.

Leraren moeten zelf voorstellen waarvoor zij hun beurs willen gebruiken. Daarin schuilt het gevaar dat deze activiteit vooral het najagen van hobby's wordt en weinig bijdraagt aan een betere toerusting van de leraar. Een strenge selectie van de beursvoorstellen kan dit gevaar niet ondervangen omdat niet zeker is welke activiteiten altijd goed of slecht zijn voor het onderwijs.

Die onzekerheid komt doordat de effectiviteit van onderwijsgeven vaak afhankelijk is van de context (school, klas, les, vak). Er is geen breed gedragen lijst van activiteiten die altijd goed of slecht zijn voor de onderwijskwaliteit (behalve bij onderwijsgoeroes). Kortom, het geld van de Lerarenagenda kan even ineffectief blijken te zijn als verkleining van klassen met geld voor achterstandsleerlingen. Een kleinere klas is prettiger voor iedere leraar, maar de achterstandsleerling leert er niet automatisch beter door.

Matheuseffect
Nu is al zeker dat maar veertig procent van de leraren een beurs kan krijgen. Het ontwikkelen van een goed idee en het schrijven van een goede aanvraag voor de lerarenbeurs zal niet ieder zijn gegeven. Met andere woorden: de betere leraar heeft een grotere kans een beurs in de wacht te slepen. Het betekent dat de lerarenbeurs meer terecht komt bij de best toegeruste leraren en minder bij leraren die slecht zijn toegerust.

Dit verschijnsel staat bekend als het mattheuseffect: wie heeft krijgt meer, wie niet heeft wordt afgenomen. Dit is één van de grootste problemen met beleid dat uitgaat van de actieve burger. Wat gebeurt er met de niet-actieve burgers, in dit geval de slechter toegeruste leraar?

Slechte leraren komen vaker voor op zwakke scholen. Dat komt niet door nalatigheid van besturen, maar is de onbedoelde uitkomst van keuzes en besluiten van leraren en scholen. Het betekent dat zwakke scholen een kleinere kans hebben gebruik te kunnen maken van de lerarenbeurs.

Zwakke scholen verzuipen
Hoe zorgt het college er dan voor dat zwakkere scholen de weg omhoog kunnen vinden? Gecombineerd met de nieuwe 'verantwoordingscultuur' in plaats van de oude 'afrekencultuur' betekent deze inzet op de ­actieve leraar dat het college zwakke scholen aan hun lot overlaat: minder beurzen en onduidelijkheid over hun noodzakelijke verbeteringen.

Het 'niet willen dicteren van hoe kwaliteitsverbetering er uit hoort te zien' vergroot de kans op het verzuipen van zwakke scholen, juist als die zwakheid voortvloeit uit de sociaaleconomische achterstand van de leerlingen. Want het benadrukken van het belang van actieve burgers en leraren verandert niets aan het feit dat onderwijs bijdraagt aan het in stand houden en vergroten van de ongelijkheid in Nederland, vooral de kloof tussen laag- en hooggeschoolden.


Wilt u reageren op dit artikel? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen.