Kunst & Media Bewaar

Met wat lef redt de artfilm het wel

Veerle Baetens en Johan Heldenbergh in 'The broken circle breakdown' (2012), één van de succesvolle recente arthousefilms uit Vlaanderen.
Veerle Baetens en Johan Heldenbergh in 'The broken circle breakdown' (2012), één van de succesvolle recente arthousefilms uit Vlaanderen. © RV

Vlaamse filmers laten zien dat de artfilm geen verloren genre hoeft te zijn, schrijft Jos van der Burg, filmrecensent van Het Parool.

Jos van der Burg
is filmrecensent van Het Parool en de Filmkrant.

Het Filmfonds steunt liever films waaraan niemand aanstoot neem

Twintig jaar geleden was de Nederlandse film op sterven na dood. Theo van Goghs toneelverfilming '06' was toen met dertigduizend bezoekers de best bezochte Nederlandse film. Het aandeel Nederlandse films in het totale bioscoopbezoek was in 1994 minder dan één procent. Publieksfilms zoals de erotische thriller 'De flat' (Verleidelijk! Verdacht! Verbijsterend!) flopten meedogenloos.

Het was duidelijk dat het zo niet verder kon. Of we stopten in Nederland met het maken van speelfilms, en beperkten ons voortaan tot documentaires, het genre waarin we wel uitblonken, of we maakten serieus werk van de Nederlandse speelfilm. Er kwam een filmlobby op gang die vijf jaar later tot een aantrekkelijke fiscale filminvesteringsregeling leidde.

Ongekende luxe
Langzaam kroop de Nederlandse speelfilm uit het dal. Jeugdfilms wezen de weg: 'Abeltje' (1998) trok negenhonderdduizend bezoekers. Een jaar later ging 'Kruimeltje' over het miljoen heen. Johan Nijenhuis ontdekte met 'Costa!' (2001) dat soapsterren en het Spaanse strand een voor vele tieners onweerstaanbare combinatie vormden.

Bij de Nederlandse publieksfilm was het lek boven water. Miljoenen bezoekers vonden in het nieuwe millennium de weg naar films uiteenlopend van 'Minoes' tot 'Zwartboek' en 'Oorlogswinter'. Van elke vijf bioscoopbezoekers ging er één naar een Nederlandse film. Vergeleken met twintig jaar geleden een ongekende luxe.

Dat er toch geen juichstemming heerst in de filmwereld komt doordat de Nederlandse artfilm zwaar achterblijft. Op het Nederlands Film Festival, dat vandaag begint, zoekt de filmbranche naar een oplossing. De artfilm is het kwijnende broertje van de publieksfilm. Op een enkele uitzondering na, zoals Alex van Warmerdams Borgman, zijn de bezoekcijfers van deze films alarmerend laag. Ook internationaal stellen ze niet veel voor.

Niet bijzonder genoeg
Deze situatie bestaat al jaren. Pogingen er wat aan te doen hebben weinig opgeleverd. Het Filmfonds, zonder wiens subsidie geen artfilm van de grond komt, voert allerlei oorzaken aan, maar ziet de belangrijkste over het hoofd: Nederlandse artfilms zijn niet bijzonder genoeg. Zeker internationaal onderscheiden ze zich onvoldoende.

Dat het Filmfonds dat niet opmerkt, komt doordat het er zelf debet aan is. Het beleid richt zich niet op originaliteit en lef, maar beloont braaf en risicomijdend gedrag. Lodewijk Crijns, die jarenlang als hét grote talent van de Nederlandse filmwereld gold, merkte begin dit jaar in een interview in deze krant op dat al zijn ideeën de afgelopen vijftien jaar door het Filmfonds waren afgewezen. Ook zijn recente voorstel voor een fakedocumentaire over een Amsterdamse winkelier, die na de zoveelste overval als een soort Robert De Niro in 'Taxi driver' de stad van criminelen wil verlossen, haalde het niet. Het Filmfonds steunt liever films waaraan niemand aanstoot neemt.

Ruim baan voor jong talent
Het wordt tijd dat de Nederlandse filmwereld naar Vlaanderen kijkt. Ook daar was de artcinema op sterven na dood, maar maakt deze nu met cross-overfilms ('Rundskop', 'The broken circle breakdown') én kleine artfilms een geweldige bloeiperiode door. Om de oorzaken te begrijpen hoef je geen hogere wiskunde te hebben gestudeerd. Zeker: de beroemde Vlaamse tax shelter speelt een rol, maar belangrijker is dat 65 procent van de subsidie van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF), de Vlaamse tegenhanger van het Filmfonds, naar artfilms gaat en 35 procent naar publieksfilms.

In Nederland is het precies andersom. Misschien nog belangrijker is dat het Vlaamse Fonds, anders dan het Nederlandse, jonge filmmakers niet lastig valt met duizend adviezen, maar stimuleert om de film te maken die zij willen maken. De Vlaamse les: geef jong talent de ruimte en zet het mes in gevestigde reputaties.

In de woorden van VAF-directeur Pierre Drouot: 'Mensen die al jaren bezig zijn en geen evolutie in hun carrière kennen, zullen minder snel voor steun in aanmerking komen dan talentrijke regisseurs die het nog kunnen maken.' In de filmpolder Nederland hebben we dit nog nooit iemand horen zeggen. Maak ruim baan voor jong talent en trek de verstikkende deken van consulenten, intendanten en (omroep)dramaturgen weg.


Wil je reageren op deze column? Dat kan! Scroll (een beetje) naar beneden om een reactie te plaatsen.