Buitenland Bewaar

VU-hoogleraar Jelle Jolles: 'Jongens- en meisjesbrein kan even goed worden'

Neuropsycholoog Jelle Jolles.
Neuropsycholoog Jelle Jolles. © Jan van Breda

Jongens zijn goed in wiskunde en kaartlezen, meisjes zijn beter met taal en kinderen. Dat ligt al vast in het brein. Het jongens- en meisjesbrein kunnen echter precies even goed worden. Neuropsycholoog Jelle Jolles (65): 'We moeten leren rollenspelen.'

Een groot deel van de vorige eeuw dachten we dat de verschillen tussen meisjes en jongens vooral door de opvoeding en cultuur werden bepaald. Die visie was mede de verdienste van de feministische beweging, die daarmee de vastgeroeste rollenpatronen kon openbreken. Maar de verschillen zijn juist ook biologisch. 'De voorkeur van veel meisjes voor spelletjes waarbij je moet praten, wordt ook bepaald door hormonen en door de rijping van de hersenen. Dat geldt net zo voor de neiging van jongens om te rennen, te handelen en te doen,' zegt Jelle Jolles, neuropsycholoog en universiteitshoogleraar aan de VU.

Biologisch zíjn mannen en vrouwen natuurlijk ook anders. En dat die geslachtskenmerken, via de hormonen, hun weerslag hebben op spiermassa, is bekend. Dat die eigenschappen zich vertalen naar een andere structuur en opbouw van onze hersenmassa, wordt echter nauwelijks erkend.

Maar - en hier komt de grote maar - dit hoeft helemaal niet zo'n groot verschil op te leveren. We kunnen de hersenen immers vormen. Jelle Jolles noemt dat: the context shapes the brain.

Doordat we meisjes met poppen laten spelen en jongens buiten laten ravotten en hutten laten maken, worden complexe ervaringen opgebouwd. Daardoor worden in de hersenen communicatieve, verzorgende of ruimtelijke talenten ontwikkeld.

Als er een biologische neiging is tot zulk gedrag, kan die worden aangewakkerd doordat we jongens en meisjes nu te eenzijdig stimuleren. Het idee van poppen voor jongens en auto's voor meisjes is geridiculiseerd, zegt Jolles. Het lijkt hem echter prima om de veel te strikte scheiding tussen meisjes- en jongensspeelgoed te laten varen. 'In ons onderzoek op scholen blijkt bijvoorbeeld dat meisjes met groot enthousiasme bouwen met blokken en spelen met ruimtelijke puzzels; iets wat wel eens als typisch jongensspeelgoed wordt gezien.'

Hebben we het hier over of iets aangeboren of aangeleerd is? Het nature-nurture-debat?
'Daar gaat het inderdaad over. Ik benadruk dat er biologisch bepaalde verschillen zijn in de hersenen, maar daarnaast heeft de omgeving een enorme invloed op de rijping van het brein. Zintuigelijke ervaringen, oefening, beweging, handelen - die liggen niet genetisch vast. Je gedrag wordt vooral bepaald door omgeving en cultuur: veel ouders stimuleren rolbevestigend spelen, ook doordat ze de neiging van kinderen volgen. Zo gaan meisjes aan de My little ponies en ravotten jongens in de tuin.'

Kinderen zijn dus wél voorgeprogrammeerd.
'Jongens zijn van nature ondernemender en beweeglijker, doordat ze in aanleg een zwaardere spiermassa hebben. Hun brein zegt: bewegen! Want door die beweging ontwikkelen ze krachtigere spieren en een krachtiger skelet. Dat is een reden waarom jongens actiever zijn; zo worden ze nog sterker. Bij meisjes wordt sociaal gedrag nog altijd aangemoedigd. Dat bereidt ze voor op een rol in kinderen krijgen en verzorgen, wat ze driehonderd jaar geleden uitsluitend moesten kunnen. Maar de maatschappij is veranderd. Gelukkig, overigens.'

Jongens en meisjes moeten nu hetzelfde kunnen. Maar u zegt dat er al in het brein verschillen zijn.
'Intellectueel zijn er in principe geen verschillen tussen mannen en vrouwen. Waarschijnlijk zijn er wel subtiele verschillen in taal en in ruimtelijk oriënteren. Mogelijk werkt het hersendeel dat nodig is voor ruimtelijke oriëntatie bij mannen iets anders dan bij vrouwen. Maar dat wordt ook geoefend, bijvoorbeeld door het feit dat jongens harder lopen, verder komen, in een boom klimmen. Meisjes hebben minder aandrang om te bewegen. De consequentie is dat jongens meer gelegenheid hebben in het zich oriënteren en dat ook sneller leren.'

Wat zouden we daaraan moeten veranderen?
'We zouden veel vroeger dan nu meisjes moeten stimuleren om die ruimtelijke oriëntatie te ontwikkelen. En we moeten jongens vroeger leren communiceren.'

Moeten we jongens met poppen laten spelen?
'Ik denk dat je in onze complexe samenleving vooral veel verschillende rollen moet kunnen spelen. Je hoeft niet elke rol even goed te kunnen, maar je moet ze wel allemaal beheersen. Een moeder, maar ook een vader, moet in het gezin als het ware 'een dirigent' kunnen zijn, maar ook 'rechter' en 'politieagent'.'

Een paar jaar geleden zei u voor het eerst: het onderwijs is te talig geworden. Jongens lijden daaronder.
'Wiskundesommen zijn meer taal dan wiskunde. Er wordt eindelijk erkend dat we een te verbaal-linguïstisch onderwijs hebben. In de jaren zeventig had je een campagne die 'Marie, word wijzer' heette. Meisjes hadden een achterstand, ze werden huisvrouw of kapster. Dat stimuleringsprogramma was er om meisjes - en vooral ook hun ouders - aan te sporen om verder te leren. Dat is gelukt. Meisjes zijn goed gaan presteren op school en in het hoger onderwijs. Helaas zijn de prestaties van jongens intussen slechter geworden. Ze zakken meer af naar een lager schooltype of vallen uit en maken meer verkeerde studiekeuzen.'

Hoe erg is het?
'Erg. Als er niets gebeurt, zit de samenleving straks opgezadeld met een grote groep jonge mannen op een niveau lager dan wat ze hadden kunnen bereiken, met alle frustraties van dien. Het drukke en onderzoekende gedrag dat veel jongens vertonen, wordt vaak lastig gevonden, maar hun talenten worden daarmee onvoldoende gebruikt. De samenleving heeft mensen nodig met peper in hun achterste die uitvindingen doen, ondernemend zijn, een bedrijf opzetten. Ik was vroeger ook een beweeglijk jongetje dat met duizend dingen bezig was, maar dat heeft me uiteindelijk wel ver gebracht.'

Zou het helpen om jongens- en meisjesscholen te stichten, zoals in Groot-Brittannië?
'Ik ben daar geen voorstander van. In een moderne samenleving hebben jongens baat bij meisjes en andersom. Mijn voorstel is om ze bij elkaar te houden, maar daarbinnen verschillende functiegroepen te maken.'

Rekenen voor jongens en rekenen voor meisjes?
'Misschien voor relatief korte perioden, als het erop aankomt. Meisjes van veertien, die erg bezig zijn met wat anderen van hen denken, zijn op dat moment misschien even goed in rekenen als hun klasgenoot Paul. Maar Paul heeft bravoure en laat die meisjes wel even zien hoe het werkt. Als je een paar meisjes bij elkaar zet zonder Paul, doen de meisjes het beter.'

Als jongens het minder goed doen op school, hebben meisjes dan eindelijk een voorsprong?
'Nee, ze zijn alleen beter af als ze minder moeite zouden hebben met fouten maken. Veel meisjes zijn perfectionistisch, ze hebben een voorsprong in zelfreflectie. Dat kan ook een nadeel zijn. Meisjes tussen de acht en vijftien jaar hebben drie keer zo veel kans op angst en gedeprimeerdheid als jongens. Het zorgt ervoor dat ze gemiddeld minder ondernemend zijn. Ze halen negens en tienen, maar dat zegt nog niet alles.'

Wat is er mis met negens en tienen?
'Een collega van mij, hoogleraar geneeskunde, zegt dat ze meer jongens wil hebben op de opleiding, want ze krijgt zo veel brave meisjes. Meisjes die al sinds de derde klas van de middelbare school zeggen: ik wil dokter worden. Deze hoogleraar wil artsen hebben die nieuwsgierig zijn, die mee kunnen gaan met de nieuwe technologie. Artsen die durven zeggen: deze behandelingsmethode moet weg, want we hebben een betere. Natuurlijk kunnen dat meisjes zijn én jongens. Maar dat lef moet je meisjes al vroeg bijbrengen.'

En hoe moeten die meisjes dat volgens u leren?
'Door ze te stimuleren in het handelen, in het doen. En door 'jongensachtig gedrag' niet af te keuren. Het is niet erg als ze ravotten en hun jurk scheuren. Een meisje dat ondernemend is, is letterlijk niet bang om te vallen. Dat is belangrijk om verder te komen in onze samenleving. Jongens moeten leren om meer open te staan voor hun omgeving, de intenties van anderen in te voelen en daar wat mee te doen. Ook zij hebben talent op dat gebied, waar ze veel aan kunnen hebben.'
'Ik ben een groot pleitbezorger van meer theater en drama op de middelbare school. Daar leer je rollen spelen. Als jij een rol kunt spelen in het theater, kun je dat in het leven ook.'