Hij bestond helemaal niet toen hij in 1936, in veertien dagen en met twaalf brieven, Juliana en Wilhelmina, twee eenzame vrouwen van Oranje, had ingepakt. Dus maakte de Haagse regeringsdienst er maar dit van: 'Een sportieven jongeman die eenvoudig door het leven wenscht te gaan en wiens belangstelling vooral uitgaat naar wetenschappelijke en culturele vraagstukken (...) een stil en rustig, tot overpeinzing geneigd karakter, daarbij een vlot sportman, een goed ruiter, een trouwe vriend en boven alles een eenvoudige en degelijke persoonlijkheid.'
Zo begonnen de rijksvoorlichters van die dagen met het scheppen van een beeld van de jonge Bernhard zur Lippe-Biesterfeld, die in vrijwel alles het tegendeel bleek te zijn, vrijwel overal mee wegkwam en zich pas in het zicht van de dood nog eens zorgen maakte over dat andere beeld dat van hem bestond.

Toen had hij er al een uitbundig en nonchalant leven op zitten, waarin het heldendom hem kwam aanwaaien en hij goeddeels zijn eigen regels bepaalde. Eenvoud en degelijkheid waren meer iets voor onderdanen. Een docent van het gymnasium oordeelde in 1929: 'Het is niet onbedenkelijk voor zijn karakter dat hij makkelijker dan anderen successen behaalt. Het ontbreekt hem aan een scheut staal in zijn bloed (...) zijn wezen klampt zich vast aan een zekere mate van gretigheid en oppervlakkigheid.'
In het nieuws rond het nieuwe boek van Annejet van der Zijl, door Querido gelanceerd met een uitgekiende campagne, is zijn lidmaatschap van NSDAP en SA weer centraal komen te staan. De schrijfster, zelf journaliste, was uiteraard dolblij toen ze het handgeschreven bewijs in een Berlijns archief vond, maar is in de vijf jaar dat ze aan het boek werkte, de kortademigheid kwijtgeraakt. Ze wilde vooral een goed verhaal vertellen, een verhaal dat niet eerder op deze manier was uitgespit, omdat de bronnen dicht bij huis overvloedig waren en de belangstelling voor Duitse geschiedenis gering was. Van der Zijl - ze schreef eerder onder andere de biografie van Annie M.G. Schmidt en promoveerde vorige week op dit boek - keerde terug naar 'de verzonken wereld' van Bernhard, te beginnen in het Duitse keizerrijk.

De aldus vergaarde context, die leest als een trein, maakt haar milder over de nazisympathieën van de jonge 'Bernilo', die opgroeide in een verarmd adellijk milieu, waar antisemitisme de norm was en men hoopte op een regime dat de oude feodale aanspraken zou honoreren. Democratische gezindheid is ook later nooit zijn fort geworden. Constitutionele discipline trouwens ook niet.

Dat Bernhard zijn nationaal-socialistische verbindingen altijd verduisterde of glashard ontkende en dat hij natuurlijk al in 1932 tot het inzicht was gekomen dat Hitler nergens voor deugde, zijn bouwstenen van de mythe. Hij was toch de man die in 1945 zijn vroegere landgenoten eigenhandig tot overgave had gedwongen? Het volk wilde een droomprins, kreeg een droomprins en Bernhard bouwde graag aan die droom mee. In een entourage van jaknikkers valt het niet mee een realistisch zelfbeeld te behouden, of zoals Van der Zijl dat fijntjes formuleert: 'Erg bevorderlijk voor de relativering van de eigen voortreffelijkheid zijn zulke omstandigheden meestal niet.'
Van der Zijl - in haar eigen woorden - ontneemt sommigen hun schurk, anderen hun held. Dat hij Juliana - er waren mooiere vrouwen - om haar geld trouwde, is wel duidelijk. Kort voordat hij haar ten huwelijk vroeg, deed hij nog snel twee andere vrouwen, tevergeefs, een aanzoek, waarna straffe onderhandelingen volgden over het aanvangssalaris van de aanstaande Prins der Nederlanden.

Hij is z'n leven lang een materialist geweest, stelt de schrijfster vast. Er was wel liefde in het spel, maar die betrof zijn moeder, Armgard. Alles wat de Duitse geschiedenis haar had ontnomen, zou hij haar later van het Oranjekapitaal terugbezorgen, eindigend met een kasteel in Diepenheim. Oranjekapitaal overigens waarvan hij zelf ook gekocht was: Juliana's slechte positie op de huwelijksmarkt werd een bedreiging voor de monarchie. Het mocht een paar centen kosten en Bernhard kende zijn onderhandelingspositie maar al te goed.

En hij kende de wegen: uit een Duits fonds voor oorlogsslachtoffers wist hij één miljoen gulden los te peuteren, terwijl zijn familie op geen enkele wijze aan de definitie voldeed. Later zou hij de eerste babyfoto's van Beatrix in het buitenland verkopen, voor vijftigduizend gulden. Weer later lekte natuurlijk de Lockheedaffaire uit.

Er is vast een deel van de creatieve boekhouding met hem het graf ingegaan. Een boekhouding overigens waarvoor Juliana hem al in de eerste huwelijksdagen verantwoordelijk maakte. Hij was immers de man in huis.

Dat hij met alles weg wist te komen, kwam niet alleen doordat Juliana - incidentele crises daargelaten - altijd volkomen idolaat van hem is gebleven. Achtereenvolgende premiers hebben hem uit de wind gehouden en hij beschikte over die bijzondere gave met onwelgevalligheden om te gaan. Van der Zijl schrijft: 'Delen van de waarheid werden behendig verborgen en herschikt tot een nieuwe versie, die hem niet alleen in een politiek meer wenselijk, maar ook veel stoerder daglicht plaatste. Deze 'world according to Bernhard' werd vervolgens geloofwaardig gemaakt met allerlei uit de werkelijkheid afkomstige details en opgediend met het onnavolgbare mengsel van grootspraak, zelfspot en ogenschijnlijke openhartigheid waarop hij het patent leek te hebben.' In de mist die hij schiep, wist vrijwel niemand de weg meer; hijzelf evenmin.

Het is een onthullende, hier en daar ontluisterende biografie van een opportunistische charmeur, gedreven door een zucht naar avontuur en met een grote behoefte aan fondsen. Hoe 'mooi' het verhaal ook is, het boek is bedreigender voor de held dan voor de schurk. Waar professor Cees Fasseur hem ooit de redder van de monarchie noemde, specifiek bij de Hofmansaffaire, betitelt Van der Zijl hem, bezien vanuit het standpunt van de monarchie, als een mislukking. Dat Bernhard in zijn nadagen in het geheim een mega-interview aan de Volkskrant gaf, dat na zijn dood werd gepubliceerd, vindt ze erg schadelijk en een middelvinger naar zijn dochter. Alles voor de mythe. (ALBERT DE LANGE)