Amsterdam Bewaar

De angst van Paroolmannen van het eerste uur

Enkele van de zelfportretten die Lex Althoff in zijn cel maakte.
Enkele van de zelfportretten die Lex Althoff in zijn cel maakte. © NIOD

Journalisten Lex Althoff en Max Nord waren Paroolmannen van het eerste uur. Althoff werd in de oorlog opgepakt en gefusilleerd, Nord overleefde het. Beiden schreven dagboeken, Althoff vanuit de gevangenis.

Open huis

Tijdens de 'Open Joodse huizen van verzet' wordt dinsdag 5 mei over het oorlogsverleden van Het Parool en de dagboeken van de journalisten Lex Althoff en Max Nord verteld. De bijeenkomst begint om 14 uur, in de Simon Carmiggeltzaal op de redactie van Het Parool, Jacob Bontiusplaats 9.
5 MEI LIVEBLOG

Op 5 mei lees je in het liveblog van Het Parool alles over de feestelijkheden rond bevrijdingsdag in de stad. Met foto's, nieuwsberichten, sfeerreportages en live verslag.

Hij had zijn huid kunnen redden als hij had gesproken over de Paroolmannen

De in 1904 geboren Haarlemse journalist A.A.F. (Lex) Althoff werkte voor de oorlog bij Het Volk en had al twee romans op zijn naam staan, waaronder de fel anti-Duitse Een trein vertrok. Omdat hij niet voor een nationaalsocialistische krant wilde werken, sloot hij zich in 1940 aan bij het illegale Parool.

Twee jaar later stopte hij ermee wegens inhoudelijke meningsverschillen met oprichter Frans Goedhart en probeerde hij op uitnodiging van de regering in ballingschap naar Londen te reizen. Erik Hazelhoff Roelfzema zou hem op 11 mei 1942 oppikken met een motortorpedoboot. Dat mislukte. Elf dagen later werd hij gearresteerd bij de voorbereiding van een tweede poging. Hij droeg allerlei documenten bij zich, onder meer Het Parool.

Hij ging naar de gevangenis in Scheveningen en werd daar geconfronteerd met Goedhart, die er sinds januari zat.

Gevangenismachine
Althoff zweeg over zijn kameraden en dat kwam hem te staan op een jaar Einzelhaft in Haaren, waar hij op 8 juni 1942 naartoe werd gebracht. Hij schreef er behalve een dagboek ook een novelle.

Het dagboek beslaat vele losse vellen papier, van boven tot beneden met zeer kleine letters volgeschreven. Geen ruimte blijft onbenut. De tekeningen die hij in zijn cel maakte, zijn aangrijpende zelfportretten - kijkend naar de grond, schrijvend aan een tafeltje of lezend in een boek. Schrijven en tekenen waren voor hem zelfbehoud en catharsis. Het dagboek was niet geschreven voor anderen, noteerde hij.

Bijna een jaar zat hij vast, grotendeels in eenzame opsluiting.

'Scheveningen is een gevangenismachine. Een verschrikking zijn het luikje, waardoor de etensblikken binnengeschoven worden, het schreeuwen der corveeërs, die de voedering verzorgen en de nummers afroepen, de ton, de houten lepel en het houten mes.'

Tienduizend passen
In de cel in Scheveningen liep hij tienduizend passen aan één stuk, maar in Haaren 'wandelde' hij nauwelijks, omdat hij papier en literatuur kreeg aangereikt. Hij had er een bed, een tafel en een stoel en hij mocht er schrijven, lezen en roken. Tijdens de eerste honderd dagen hield hij zijn dagboek bij. Op 10 juni 1942 begon hij: 'Ik zie mijn twee handen mager worden en wit en mijn vel om vingers en palm ruim en gerimpeld.'

Althoff was nog maar 37. 'Ik ben zeer moe. Alleen de gedachte aan de anderen houdt mij op. De angst, bleek en bijtend, is er voortdurend.' Een dag later: 'Hoe rampzalig deze eenzame opsluiting zijn mag, hoe verschrikkelijk en om gek te worden wanhopig: dit is dragelijker dan Scheveningen, met zijn moordende, lugubere sfeer. Hier kan men zich verbeelden kamerarrest te hebben. Maar dan is er zeer veel verbeelding nodig.'

Hij mocht boeken lezen, onder meer de Bijbel, Kaas van Elschot, The Yearling - 'Uitnemende gevangenis­literatuur' - van Rawling en Van Socrates tot Bergson van Durant. Van alle filosofen boeide Spinoza hem het meest. Ook doodde hij de tijd door anderhalf uur het 'vernuftige bedrijf van een spin' te aanschouwen. Althoff probeerde zich op allerlei manieren te weren tegen de angst voor wat komen ging. 'M'n nieuwe afweer ertegen is de enorme mate mijner nieuwsgierigheid naar den vorm van het hiernamaals.'

Volle vrijheid
Toch bleef de hoop op vrijheid: 'Afschuwelijk en tegelijkertijd heerlijk gedroomd. Het bekende motief: de volle vrijheid, de terugkeer, de ontmoetingen, de ontroeringen tot tranen toe, het wakker worden, badend letterlijk in zweet, in de grauwe realiteit van een aanbrekende dag. De cel...'

Hij voelde zich, schreef hij, een drenkeling in zee, die maar niet verdrinken wil en kan, dacht aan zijn gearresteerde en doodgeschoten vrienden en collega's, zoals S. (Stuuf Wiardi Beckman, zijn voormalige hoofdredacteur) en hij vroeg zich af wanneer hij aan de beurt zou zijn, maar was nog steeds niet zover dat hij 'kalm en rustig voor een exe-cutiepeloton' kon treden.

'De woorden cel en hel zijn identiek,' schreef hij. In een cel verwordt een mens tot een 'weerzinwekkend wrak, een stompzinnig beest'. Hij voelde zich een gekooid dier dat door wachters gevoederd en uitgelaten wordt. 'Ik ga kapot in een cel. Eenzame opsluiting is de ergste straf die het brein heeft kunnen uitdenken.'

Biografie
Het was er ook heel koud. 'Nu vooral niet denken aan een schemerlamp, een fauteuil, een vrouw.'

Hij keek ook terug op zijn leven en schreef in steekwoorden zijn biografie: over zijn jeugd ('te weinig geld om mee te kunnen doen, roeibroek'), over zijn vrienden ('Eduard Kraantje Lek'), zijn vrouw ('los van Bep, eindelijk vrij') en zijn nieuwe vriendin ('eindelijk rust bij Henny').

Eind juni kreeg hij een krant in handen en zonk de moed hem in de schoenen. 'Krijg de indruk dat de geallieerde zaak zeer ongunstig staat en dat we nog een oorlogswinter ingaan. (...) Ik geloof dat D. (Duitsland, red.) de situatie veel steviger in handen heeft, dan men in het algemeen gelooft.'

Weigeren
Uiteindelijk maakte hij zich minder druk over een mogelijk einde. Hij geloofde dat zijn dagen geteld waren. Hij haalde de Inca's aan: 'Ik zal hun tonen hoe zij een eerloos leven kunnen ruilen voor een eervolle dood.'

Op de honderdste dag, 30 augustus 1942, stopte hij met het dagboek. Hij was bereid te sterven, was verlost van angst en met Gods hulp herboren. 'Ik weet niet waar deze bladen terecht zullen komen en in wiens of wier handen zij ooit zullen zijn. Maar laat hij of zij die dit leest zich gemaand achten dat er een God is die niet met zich laat spotten en die iemand die hulp vraagt, niet in de steek laat.'

Althoff werd op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd, op beschuldiging van sabotage en spionage. Hij had zijn huid kunnen redden als hij had gesproken over 'Jacob, Jaap en Hans', oftewel de Paroolmannen Vorrink, Nunes Vaz en Warendorf. Maar hij weigerde.