Er is alle reden voor een feestje op de burelen van popgroep De Kift in Koog aan de Zaan. Is het niet vanwege het twintigjarig bestaan, dan wel om de subsidie die onlangs rondkwam. De nieuwe cd Hoofdkaas komt als een bezegeling van deze mijlpaal, in de vertrouwde vorm van poëzie op eigengereide Zaanse fanfarepunk.

Brandende vraag: wat gaan ze eigenlijk doen met de 230.000 euro die ze krijgen van het Fonds voor Podiumkunsten? ''Eindelijk kunnen we onze mensen een normaal salaris betalen,'' zegt zanger/blazer/gitarist/componist Ferry Heyne.

''Investeren,'' zegt zakelijk leider en zanger Marco Heijne. ''Vervangen van de oude computer die nauwelijks nog opstart.'' Heyne: ''De Kift heeft in zijn voegen gekraakt. Toetsenist Frank van den Bos is vertrokken omdat hij niet kon rondkomen van wat hij bij ons verdiende.''

Toch blijft het apart: een bandje dat zo'n chique cultuursubsidie binnensleept.
Ferry Heyne: ''We zijn een popband ja. Maar het is bijzonder dat we al twintig jaar bestaan, mooie dingen maken en zo breed actief zijn. Verder vind ik dat pop wel degelijk kunst kan zijn. Het is een onjuist beeld dat er geen geld tegenover hoeft te staan omdat pop van de straat is. Of dat een popmuzikant moet lijden om geloofwaardig te zijn.''

En: ze hebben er hard voor moeten werken. ''We zijn steeds beter georganiseerd.
De Kift is een bedrijf, niet alleen een bandje met een busje, een hoop lol en veel bier. Natuurlijk is het leuk, maar De Kift is ook een groep mensen met kinderen.''

Marco Heijne: ''We hebben nu iemand van Deloitte en Touche als penningmeester. Als werkgever zullen we op een gegeven moment ook functioneringsgesprekken moeten voeren. Met de drummer? Ja hoor. Laten we maar praten over hoe het gaat. Liever dan dat tijdens een tournee de onvrede er uit komt.''

Dat klinkt niet erg rock-'n-roll. Raakt de romantiek er zo niet vanaf? Ferry Heyne: ''Welnee. Toeren is nog even rock-'n-roll als twintig jaar geleden.'' Heijne: ''Veel bands hebben een platenmaatschappij die het regelt. Wij doen het zelf.''

Ze zijn van de jaren tachtig, ontsproten uit de punkgolf en kraakbeweging. ''De generatie Duyvendak,'' zegt Ferry Heyne met een grijns. Heeft hij niet het gevoel binnen te halen wat hij toentertijd verfoeide? ''Toen overleefde De Kift met behoud van uitkering. Er bestaan geldstromen die bedoeld zijn om de cultuur te ondersteunen. Ik vind dat je dan moet proberen de geldstroom in de richting van De Kift te leiden. En of je daarmee het establishment in huis haalt? Dan nog kunnen wij in vrijheid werken. Het geld komt alleen uit een andere richting.''

Muzikaal gezien is De Kift het kindje van Ferry Heyne. De invloeden van de fanfare waarin hij als kind speelde, de punkmuziek en zijn liefde voor literatuur; het zijn de ingrediënten waarmee ze muziek maken. Heyne wil Hoofdkaas geen terugblik noemen, maar de plaat bevat wel de elementen die de afgelopen decennia De Kift hebben gevormd. De cd wordt uitgegeven in een (echt) kookboek, want feesten doe je met een goede maaltijd. Ferry Heyne: ''Onze cd's worden bevolkt door mensen die op het feest zijn, maar niet deelnemen aan de feestvreugde. Het zijn geen opgewekte types, mensen die strijd moeten leveren om het bestaan, maar nog niet verslagen zijn. En zeker op deze cd is de humor belangrijk.''

Het vorige album 7 bestond geheel uit poëzie van nogal zwaarmoedige Russische dichters. Ferry Heyne koos gedichten van W.H Auden, Lucebert en zelfs Shakespeare om op muziek te zetten. En teksten van de Engelse (toneel)schrijver Samuel Beckett.

Hoofdkaas begint met een passage uit Wachten op Godot. Heyne: ''Beckett is een vervreemdende auteur, dat bevalt me. Wachten op Godot is vooral bedoeld om verwarring te stichten. Maar het gaat wel ergens over; de onmacht je uit te drukken. Het mooie van poëzie is dat er altijd een laag in zit die werkt op je gevoel en niet op je verstand.'' (MARK MINNEMA)