De Sigur Rósfans van het eerste uur zullen het hoofdschuddend hebben aangezien: de band die zich in 2002 op het album met de titel () van een zelfverzonnen fantasietaal bediende en op de rest van haar oeuvre van het IJslands, sloot haar laatste plaat af met een nummer in het Engels. En op het solodebuut van Sigor Rószanger Jónsi Birgisson wordt zelfs het gros van de liedjes in de begrijpelijke lingua franca van de popmuziek gezongen.

Veel verschil maakt het uiteindelijk niet, want de unieke kwaliteit van Birgissons ijle falset maakt de letterlijke betekenis van een tekst, ongeacht de taal, irrelevant. Het is een stem die, als je er niet allergisch voor bent, in een enkele strofe een rijkdom aan beelden kan oproepen. Zijn dat doorgaans zinderende, majestueuze vergezichten, op Go openbaart zich een kleurrijke achtertuin in de zomer. De gedragen, soms wat afstandelijke schoonheid van Sigur Rós maakt hier plaats voor bonte, opgewekte popsongs, duizelingwekkend rijk georkestreerd met fluiten, strijkers, toetsen en ratelende percussie. Het is schaamteloos lieflijk, zonder ook maar een moment vals of kitscherig te klinken. De zomerse uitbundigheid wordt in balans gehouden met een handvol weemoedige ballads. Go is het muzikale equivalent van Avatar. En je hebt er niet eens een brilletje bij nodig. (JERRY GOOSSENS)
(Parlophone/EMI)

www.jonsi.com