Kunst & Media Bewaar

Druk brengt beste in KCO boven

Het KCO repeteert. Uitzicht vanaf het vierde balkon. Foto Erik Voermans
Het KCO repeteert. Uitzicht vanaf het vierde balkon. Foto Erik Voermans © UNKNOWN

Zowel het Koninklijk Concertgebouworkest als het Rotterdams Philharmonisch Orkest deed vorige week goede zaken in New York. The New York Times: 'The orchestra is in magnificent shape.'

'Je moet je meten met de groten,'' zegt Mariss Jansons, chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest in zijn kleedkamer in Carnegie Hall. ''Daarom zijn we hier. Dit is één van de belangrijkste podia ter wereld.'' Zijn orkest zal er die avond de Derde symfonie van Mahler spelen in een abonnementsserie die ook de Wiener Philharmoniker, Berliner Philharmoniker en Chicago Symphony tot haar vaste gasten mag rekenen.

Het concert (2800 stoelen) is uitverkocht, wat hier zelfs voor internationale toporkesten niet vanzelf spreekt. Orkestdirecteur Jan Raes zegt het op de middagrepetitie in het Stern Auditorium met onverholen trots, als hij het KCO kort toespreekt. De musici juichen. Paukenist Marinus Komst zet een grappig dramatisch roffeltje in.

De middagrepetitie is een beetje een zenuwenboel. De Derde van Mahler is een lang en ingewikkeld stuk, met een vocale solist (hier Jill Grove), twee ándere koren dan in Amsterdam meededen (New York Choral Artists en The American Boyschoir) en tal van gevaarlijk openliggende passages, waarin de kleinste oneffenheid meteen klinkt als een onverwachte pets in het gezicht. Jansons is duidelijk nerveus, en het wordt er niet beter op als de juiste balans tussen het orkest en de posthoorn, die vanuit de coulissen, onzichtbaar voor het publiek, uiterst kwetsbare soli heeft, zich niet automatisch aandient.

Zitrepetitie
Daags tevoren had Jansons zijn orkest bij aanvang van de zitrepetitie nog op zijn gemak gesteld met een anekdote, overgeleverd via zijn vader Arvid Jansons (ook een beroemde dirigent), over een duif die op de schouder van een dirigent had gekakt. Mariss had als kleine jongen willen weten hoe die dirigent daarop had gereageerd. ''Hij zei dat-ie blij was dat koeien niet konden vliegen.'' De musici lachten hard om de punchline.

Maar vanmiddag zijn er geen grappen. Voor Frits Damrow, die de posthoorn bespeelt, moeten het zenuwslopende momenten zijn, want Jansons is niet snel tevreden. ''Frietz, niet te zacht!'' roept de chef. Na een kwartiertje afstemmen is hij tevreden. ''I sink is gut,'' bromt Jansons tegen assistent-dirigent Ivan Meylemans, die van achteren in de lege Carnegie Hall de klankbalans in de gaten houdt.

's Avonds is de posthoornsolo één van de absolute hoogtepunten van het concert. Als Damrow na afloop ietwat onwennig - ontroerende aanblik - het gejuich van de New Yorkers in ontvangst neemt, klinkt dat bijna nog harder dan de kreten die het publiek voor Jansons en het orkest over heeft. Na de slotmaten van het Adagio, belachelijk mooi gespeeld, rijst het publiek als één man uit de stoelen. Zelfs op Tier 4, het vierde balkon, klappen ze staand. Voor de goede orde: staande ovaties zijn in New York niet vanzelfsprekend.

''Ja, de druk is extra groot als je in Carnegie Hall speelt,'' had Jansons 's middags gezegd. ''Maar dat haalt het beste in de musici naar boven.''

''Jansons is een enorme perfectionist,'' zegt harpiste Petra van der Heide. ''Elke noot telt, maar de resultaten spreken voor zich. En je weet dat hij ook van zichzelf het uiterste vergt, dus dan is het gemakkelijker daarin mee te gaan.''

Curieus toeval: op de avond dat het KCO in de Carnegie Hall schittert, is er nóg een Nederlands orkest te gast in New York. Onder leiding van zijn chef Yannick Nézet-Séguin speelt het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de Avery Fisher Hall Strauss, Bartók, Brahms, Liszt, Messiaen en Verbey. In het vliegtuig vanuit Schiphol zit uw verslaggever naast Remco de Vries, solohoboïst van de Rotterdammers.

''We hebben verschillende keren onder Jansons gespeeld,'' zegt De Vries. ''Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik hem te veel een controlfreak vond, zeker in vergelijking met Gergjev. Jansons is zo'n dirigent die thuis alles tot in de puntjes voorbereidt en daar dan weinig van wil afwijken. Terwijl onder Gergjev spelen altijd een groot avontuur is.''

Als de Rotterdammers op JFK Airport landen, is het eerste wat ze in de aankomsthal zien een reusachtig billboard van het KCO. ''Zelfs de Berliner Philharmoniker hadden het erover, hoorde ik van Clive Gilinson, directeur van Carnegie,'' zegt David Bazen, de zakelijke man van het KCO, met pretoogjes.

Spelen in Carnegie Hall is voor musici een groot plezier, als je tenminste niet pal voor de openslaande deuren zit die in het derde deel van Mahler Drie voor de posthoornspeler moeten worden opengezet. Petra van der Heide: ''Als die deuren opengaan, zorgt dat meteen voor een temperatuurverschil, met alle gevolgen van dien voor de stemming van de snaren.'' En een harp heeft nogal wat snaren. ''Nou ja, je begrijpt dat ik me weleens ontspannener heb gevoeld op een podium.''

Het is 's avonds niet te merken. De musici lijken collectief te worden opgetild naar een niveau dat je tijdens het allereerste concert van een serie in het Concertgebouw vrijwel nooit meemaakt. Daar heeft Jansons trouwens een vraagje over aan de verslaggever. ''Waarom komt u eigenlijk altijd naar het allereerste concert? Waarom niet naar het laatste? Of beter nog, naar allemaal?''

'The orchestra is in magnificent shape,' schreef Alan Kozinn in The New York Times over het concert. Verder jubelde hij over Janine Jansens uitvoering van het vioolconcert van Sibelius, dat het KCO de avond voor de Derde van Mahler had gespeeld. Ook Jansen bereikte een niveau dat ze in Amsterdam niet had gehaald. Interessant, maar niet helemaal serieus te nemen was daardoor de vernietigende recensie in The Washington Post vorige week: 'Janine Jansen viel haar instrument met zo veel intensiteit aan dat geen frase ongeschonden bleef.'

Overigens kreeg het Rotterdams Philharmonisch Orkest ook een staande ovatie en prachtige recensies. Nederland kan trots zijn op zijn top?orkesten. En voor het KCO is het vanaf vandaag weer business as usual - repetities met Sir John Eliot Gardiner in het Concertgebouw. (ERIK VOERMANS)