Hij draagt twee lange, elastische katoenen handschoenen waarin de tien vingers blijven friemelen in een doorlopende oefening. ''Het vel staat nog te stijf, te strak. Daarom word ik ook elke dag een paar uur gemasseerd. Ik weet niet of de therapie werkt, of het nog goed komt. Niemand weet dat. Hoewel, misschien weten ze het en durven ze het me niet te zeggen. Vind ik best, als ik zou horen dat die vreselijke pijn in m'n bovenarm zou blijven, dat ik mijn handen nooit meer zou kunnen gebruiken, dan zou ik misschien in paniek raken. Dat overkomt me nu al; ik kan soms echt agressief worden als iets me in huis niet lukt. Daarom blijf ik de hele dag op de revalidatie. Dan kan ik oefenen en hoef ik het niet hier af te reageren.

Nu, na precies een jaar, kan Willem Symor (56) zijn vingers heel licht buigen, maar z'n handen tot een vuist ballen, dat lukt nog in de verste verte niet. Elke dag moet hij naar revalidatie. Van 's ochtends vroeg tot een uur of zes. 'Maar ik heb er geen spijt van dat ik terug ben gegaan, geen spijt dat ik Reinaldo uit het vuur heb gehaald. Had ik het niet gedaan, had ik met de gedachte moeten leven dat die jongen daar levend verbrandde, ik zou geestelijk gestoord zijn geraakt. Zo iets vreselijks zou ik niet over m'n hart kunnen verkrijgen.'

Een dag die maar geen dag wil worden. In de schemering zie ik vaag zijn littekens en verwondingen. We zitten in de huiskamer van Groeneveen. En kijken uit op het gat, dat eigenlijk geen gat is, maar gewoon gras en straat. Of het altijd zo geweest is. Waar ooit zijn gemeenschappelijke ruimte Het Groentje was, staat nu een blauwe container. Hij wijst me erop.

In de buurt wordt hij Pa Sem genoemd, door Ghanezen simpelweg Papa. Uit respect voor zijn levenservaring, opgedaan in Suriname en sinds achttien jaar ook in Nederland. En omdat ik de moed niet kan opbrengen met de deur in huis te vallen, duiken we eerst in het verleden.

''Ik kom van de plantage 'Vier Kinderen', in het Para-district. Maar we hadden een groot gezin, eenentwintig, m'n moeder had negentien kinderen. Dat waren te veel monden om te voeden. Dus ben ik op m'n vijfde bij m'n tante in de hoofdstad gaan wonen. Dat is bij ons heel gewoon, mijn schoonmoeder bij voorbeeld heeft op dit moment ook al drie kweekjes, allemaal neefjes en nichtjes, dat is voor iedereen handig, die kinderen kunnen haar weer helpen als ze ziek wordt. En de man van m'n tante, die had een houtconcessie in het oerwoud, hij was een soort middenstander. Dus ik was allang blij dat ik bij haar kon komen. Maar toen ik twaalf was, is die tante overleden. Naar de plantage terug kon ik niet, daar was geen werk. Dus begon ik in Paramaribo met allerlei baantjes. Eerst op een zaagmolen, planken sjouwen.

''Negentien kinderen, ja. Maar de jongste stierf toen hij zeventien was. Nu zijn nog maar drie broers en twee zussen over. Vlak na de ramp is m'n zus hier komen logeren. Vier maanden is ze gebleven. En toen ze terug was, ging ze ook dood. Vijfentwintig februari. Ze is niet ziek geweest, niemand weet hoe het kwam. Maar ik denk dat het was omdat ze mij zo zag ... ik kon niet eens zelf m'n billen afvegen, de huissleutel viel uit m'n handen ... dat heeft ze niet kunnen verwerken.

Bulldozer
''Ik leerde omgaan met een bulldozer, eerst bij Bruynzeel, in het oerwoud, later bij Billiton. In 1958 kreeg ik toen een aanrijding, m'n hele rechterdijbeen was verbrijzeld. En toen ik na een jaar terug kwam, besloot de directie me op een andere afdeling te plaatsen. De afdeling loonadministratie. Nou had ik daar natuurlijk geen kaas van gegeten. Dus toen hebben ze me op het archief gezet. Papieren sorteren en zo. Maar ik ben iemand die probeert zichzelf naar voren te schuiven, hoger op te komen, en na verloop van tijd zei de chef: 'Volgens mij heb jij wel talent om tussen de boekhouders te zitten'. Hij heeft me verplaatst en ja, op die afdeling heb ik veel kunnen leren.

''Nou kan ik goed zeuren, op vakbondsvergaderingen had ik altijd de moed om op te staan en te zeggen dat we iets niet accepteerden. Dus toen ben ik gevraagd om de politieke kaderschool van de PNR te volgen. Daar word je zogenaamd gehersenspoeld. Door allemaal knappe koppen. Zo werd ik ondervoorzitter van de vakbondsleider op Billiton. Ik had natuurlijk alleen de lagere school bezocht, maar omdat ik zo goed kon lullen, mocht ik nu met de directie aan tafel zitten. De NVV, dat was onze moederbond. Kok was in die tijd al voorzitter, die heb ik nog ontmoet. Hij kwam naar Suriname om een lezing te geven ... nu zal hij me niet meer kennen, maar van hem heb ik veel geleerd. In feite ben ik een self made man, ik heb die kringen opgezocht om verder te komen.

''Maar zo'n achttien jaar geleden had ik de drempel bereikt. Het ging niet naar mijn zin met de politiek, er werd een politiek gevoerd die naar mijn smaak niet redelijk was, de armen werden alleen maar armer en de rijken rijker. Vriendjespolitiek. Ik zag aankomen dat Suriname een chaos werd, toen heb ik besloten om naar Nederland te gaan. Naar een neef in Rotterdam. Want in feite ben ik Rotterdammer hoor, de eerste tien jaar heb ik daar gewoond.

''In die tijd was alles nog heel gemakkelijk. Je ging naar het station, daar onmoette je een blanke man, die vroeg: 'Wil je werk?' En als je 'ja' zei, bracht hij je in zijn vrachtwagen naar de haven. Soms werkte ik voor vier bazen tegelijk, verdiende ik zevenhonderd gulden in een week. Heel prettig. Allemaal zwart werk. Naar de sociale dienst hoefde ik niet.

Uiteindelijk werd Pa Sem in 1986 afgekeurd wegens een versleten heup. ''Al m'n grotere kinderen woonden in Amsterdam. En zij zeiden: 'Pa, kom jij nou ook hier naartoe. Want als je een keertje ziek wordt, dan hebben wij misschien geen geld voor de trein, terwijl we je hier dan gemakkelijk kunnen bezoeken'.

En zo kwam hij dus in de Bijlmer terecht. In Groeneveen.

''Al gauw kwam ik erachter dat de flat ook een collectieve ruimte had. Die was dichtgespijkerd nadat een vechtpartij met dodelijke afloop had plaatsgevonden. In die tijd was het een commercieel cafe, vechtpartijen, gokken ... dat mocht allemaal niet. Nu wilde ik wel proberen er iets van te maken. Ik vond het moeilijk dat ik niets om handen had. Dus stelde ik het voor aan de bewonerscommissie en zo kreeg ik de sleutel. Een troep dat het daar was! Ik heb het schoongemaakt en van m'n eigen geld een beetje opgeknapt. Maar het kwam niet in de running, iedereen wist van die vechtpartij met dodelijke afloop, he. Toen ben ik maar grote hoeveelheden snoep gaan kopen. Om de kinderen naar me toe te trekken. Die kinderen vertelden dan thuis dat Pa Sem snoep had gegeven. En dat het daar zo gezellig was. Zo kwamen dan ook de vaders, en ze merkten dat je bij mij rustig een pilsje kon drinken. Het werd een succes. Ik maakte zelf koek, soms organiseerde ik een soulparty, die duurde wel tot vier uur! Ja, toen is het echt bekend geworden, er kwamen zelfs mensen uit Eefting! En de Ghanezen, die zochten me op als ze weer een briefje in het Nederlands hadden ontvangen: Papa, can you read this for me? Al die getallen, van na de ramp, die kloppen niet. Er zijn veel meer Ghanezen doodgegaan. Maar ik kan het niet bewijzen, omdat ze illegaal waren.

''De collectieve ruimte bestond eigenlijk uit twee vijfkamerflats. Maar met toestemming van de woningbouwvereniging heb ik in '92 de muren van een flat weggebroken. Toen werd het echt druk. Voor de veiligheid ben ik een pasjessysteem gaan instellen. Zodat ik die paar asocialen kon tegenhouden.

Spugen
''En er waren huisregels, he, in het Afrikaans, in het Papiamento en in het Nederlands. Dat je niet op de grond mocht spugen. En: 'Drinken tot Dronkenschap is verboden!' Men hield zich aan die regels. Ook als ik niet keek, want iedereen lette op elkaar: 'Je weet dat je van Pa Sem niet op de grond mag spugen!' zeiden ze dan.

''Zaterdagavond hadden we nog een Antilliaans kinderfeestje. Eigenlijk zou het op zondagmiddag worden gehouden, maar wegens vervroegd vertrek van een tante is het verschoven. Dat is Gods werk geweest. Hij heeft die datum veranderd. Om nog een beetje schoon te maken, ging ik zondag om twee uur naar Het Groentje. Toen ik de deuren opende, stroomden de kinderen meteen binnen. Want er stond daar een voetbaltafel, er waren sjoelbakken, allerlei spelletjes. Mijn dochtertje Tamara, ze is nu vijf, die kwam ook spelen. Maar toen me duidelijk werd dat ik die dag niet meer thuis zou komen voor het eten, stuurde ik haar naar huis. Onder begeleiding van Reinaldo en z'n zusje, twee Antilliaantjes, tien en elf jaar oud. Reinaldo is toen teruggekomen. Maar ik heb dat niet gemerkt. Hij is direct naar achteren doorgelopen, want daar stond ook een sjoelbak.

''Plotseling was daar die knal. Ik roep nog: 'Nou zeg, wie schiet er nou vuurwerk af in deze tijd van het jaar?' Dat vliegtuig was vlak naast me terechtgekomen, ik was het laatste huis, de staart lag recht voor de deur! Alles vloog meteen in brand, de vlammen kleefden aan het plafond. Alle kinderen gilden in paniek: 'Pa Sem, we willen toch niet doodgaan! We willen toch niet doodgaan!' Zo veel rook ... vlammen. Ik begon de kinderen te verzamelen en door het vuur zijn we naar buiten gerend. Daar begonnen toen de mensen uit de flats te springen ... van zeshoog ... van negenhoog ... We stonden maar zo'n beetje verloren. Maar opeens zegt dat Antilliaanse meisje: 'Pa Sem, Reinaldo is nog binnen!' Ik draaide om m'n as als een drijftol: wat moet ik doen? Terug! Een paar Afrikanen probeerden me tegen te houden: Papa don't go back, you'll get burned. Door de vlammen ben ik naar achteren gelopen. Ademen kon je er niet meer. Ik hoorde de jongen schreeuwen. Ik heb hem kunnen vinden: Loop voor mij! Nog een metertje!''

''Nou moet ik eerst iets uitleggen. Bij de ingang, achter de lamp, had ik een pijp opgehangen. Aan een touwtje. Die moest het licht van binnen weerkaatsen. Zodat de mensen die met de laatste metro kwamen konden zien: he, Pa Sem is nog open! Die pijp liet los toen de jongen er onderdoor liep. Met de rug van m'n handen ving ik haar op. Het ijzer schroeide in m'n huid en dat ding liet niet los. Ik probeerde hem af te schudden, kreeg hem op m'n hoofd, dan op m'n rug en steeds schroeide die vast. M'n hemd vloog in brand en ik dacht: nu is het gebeurd. Ik wist dat ik voor m'n leven moest vechten. En in een laatste poging wist ik die pijp van me af te schudden.

''Brandend rende ik naar buiten. Daar stond Tamara. Ze riep: 'Papa gaat dood!' Twee jongens zeiden: 'We brengen je weg, je moet naar het ziekenhuis'. Maar de auto stond ver weg. In de garage. Hoe ik zover nog heb kunnen lopen? M'n vlees rammelde zo weg van m'n botten. Bij Huigenbos was al een afzetting. We moesten stoppen. De politie zag me: 'Dat is Willem! Van Het Groentje!' En die andere agent zei: 'Dat is ontzettend jammer. Want Willem haalt het niet'. De ambulance kwam er net aan en verder ... verder weet ik niets meer.

''Na drie weken kwam ik pas weer bij. Ik heb gehoord dat het AMC me naar het Onze Lieve Vrouwe doorstuurde. En dat ze me daar ook niet konden behandelen. Dat er toen een helikopter is gekomen om me naar het brandwondencentrum in Beverwijk te brengen.

Zijn vrouw Ethel is bij het gesprek aanwezig. Ze zegt: ''In de ambulance heeft hij nog wel met ons gesproken, maar dat weet hij niet meer. En zoals hij er uitzag ... helemaal zwart ... derde graads verbranding ... ik heb nog gevraagd: 'Wat gaat er nu gebeuren?' Maar niemand die het wist. En toen hij nog buiten bewustzijn was, hebben ze de eerste operaties al gedaan. Ze konden niet wachten ... vier operaties ...

Studio Sport
Pa Sem: ''Na drie weken kwam ik dan bij. Ik vroeg welke dag het was. Een zondag. Hoe laat? Half zeven. 'Dan wil ik graag een tv op m'n kamer, want dan is Studio Sport en ik kijk graag naar sport'. Dat is toen gebeurd. Tamara mocht me niet komen opzoeken, er worden daar sowieso geen kinderen onder de twaalf toegelaten. Omdat het er allemaal te afschuwelijk uitziet. Maar ik vond het zielig. Ze dacht werkelijk dat haar vader dood was. Ja, ze had me toch gezien, met m'n lichaam helemaal in het vuur? Tegen een nicht had ze het ook gezegd: 'Papa is toch dood'. Dus ik wilde dat ze me een keertje zou opzoeken. Toen is er een foto van me gemaakt en daar reageerde ze positief op. Een keer is ze dan geweest. Maar niet langs zaal, alleen mij mocht ze maar zien.'' ..m'n armen gestrekt voor me uit ... helemaal niets kon ik. Tamara heeft zelfs m'n billen moeten wassen, ik kon m'n jas niet aan- of uittrekken, alles moest voor me worden gedaan. Binnenkort word ik weer geopereerd, m'n oren moeten nog worden gemaakt. En die handen, he.

''De buurt is vreselijk saai geworden. Achthonderd gezinnen zijn vertrokken, vierhonderd van Kruitberg, vierhonderd van Groenhoven. Voor de winkeliers een ramp, economisch gaat het opeens heel erg slecht. Veel mensen met wie ik contact had, zijn dood. Gesprongen, verbrand. Otis, een Antilliaan, bij mij hadden ze wedstrijden van de dominovereniging. Hij zou diezelfde maand dertig zijn geworden. Het hele gezin van zeven is omgekomen. Heel erg vind ik dat, maar je moet doorleven. Reinaldo heb ik ook al heel lang niet gezien. In het begin wel, maar nu al een paar maanden niet. Ik denk dat z'n moeder het niet meer kon verdragen om hier te wonen. Dus die zijn ook vertrokken. En dan de Ghanezen, nu lopen ze weer verloren rond. In een blank cafe durven ze niet te komen. Omdat ze illegaal zijn. Daarom was Het Groentje voor hen ook zo'n uitkomst. Nu dat er niet meer is, zijn alle contacten verwaterd. Maar voorlopig heb ik er nog geen zin in weer een cafeetje te openen. Eerst moet ik aan m'n eigen gezondheid denken.

''Mijn plan was om te emigreren. Terug te gaan naar Suriname. Nog een jaar, dan zouden we vertrekken. Ik heb m'n WAO, daar kan ik in Suriname heel goed van leven. Mijn huis staat daar nog, alleen het licht en water zou ik moeten betalen. Maar nu kan het niet meer. De temperatuur ... m'n huid kan er niet tegen. Die drie zomerdagen in mei, die waren zo erg voor mij, ik kan de zon niet meer verdragen. Te heet. En of dat ooit nog goed komt, ik weet het niet. Van niets weet ik of het goed komt, niet van de pijn, niet van de stijfheid. Het enige wat ik weet: ik zal nooit meer de oude worden. Wat ze ook zullen proberen, hoe vaak ze nog zullen opereren, de oude zal ik nooit meer worden. (LEONOOR WAGENAAR)