GENÈVE - Nederland moet de euthanasiewet herzien, om de bescherming van patiënten beter te waarborgen. Daar dringt het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties op aan. Uit de gisteren in Genève bekendgemaakte aanbevelingen blijkt dat het VN-comité bezorgd blijft over de omvang van euthanasie en hulp bij zelfdoding in Nederland.

"Onder de Nederlandse wet kan een arts het leven van een patiënt beëindigen zonder enige, onafhankelijke, rechterlijke toets om te garanderen dat de beslissing niet is genomen op basis van onbehoorlijke beïnvloeding of een misvatting," concludeert het VN-comité, gevormd door internationale deskundigen op het gebied van de mensenrechten. Het feit dat ook een tweede arts zijn mening moet geven, is in de ogen van het VN-orgaan niet voldoende.

In het bijzonder noemt het comité situaties waarin een arts tot levensbeëindiging besluit, zonder dat de patiënt in staat is zelf het verzoek te doen. In Nederland is euthanasie in zo'n situatie alleen mogelijk als iemand al een euthanasieverklaring had opgesteld. Het VN-comité wil dat zeker onder deze omstandigheden eerst een juridische toetsing plaatsvindt. Het Mensenrechtencomité dringt er bij Nederland op aan de wetgeving zodanig aan te passen, dat het 'recht op leven' beter is verankerd. Nu wordt euthanasie alleen achteraf getoetst.

Het 'recht op leven' is een van de artikelen uit het Internationaal Verdrag aangaande Burgerrechten en Politieke Rechten. De uitvoering van dit zogenoemde Bupo-verdrag wordt om de vijf jaar door het VNMensenrechtencomité getoetst.

Minister Hirsch Ballin (Justitie) verklaarde ruim twee weken geleden in Genève, tijdens de behandeling van de Nederlandse rapportage, dat de toename van het aantal geregistreerde euthanasiegevallen laat zien dat de meldingsbereidheid onder artsen toeneemt. Hij gelooft niet dat er sprake is van een stijging van het aantal euthanasiezaken, en wees erop dat palliatieve zorg steeds meer aandacht krijgt. (HET PAROOL)