AMSTERDAM - Bij de aankoop van kunst houden museumdirecteuren noch rekening met de collectie van andere musea, noch met het publiek. De eigen identiteit van het museum staat voorop.

De conclusies na onderzoek naar de manier waarop musea in Nederland hun collecties vormgeven, liegen er niet om. De directeur van het museum is vrijwel de enige die beslist welke werken worden aangekocht. Curatoren, de afdeling communicatie en marketing, adviescommissies of het bestuur hebben niet of nauwelijks invloed.

Daarbij is sprake van weinig tot geen overleg of afstemming met collega-instellingen. Ook de Collectie Nederland, waarmee minister Hedy d'Ancona ooit alle collecties in Nederlandse musea bedoelde, speelt geen rol.

Er is ook een saillante paradox. Museumdirecteuren zeggen zich vooral te laten leiden door de eigen identiteit van het museum. Tegelijkertijd geven bijna al die directeuren toe dat musea steeds meer op elkaar beginnen te lijken om een groter publiek te trekken.

Het onderzoek van bureau Motivaction werd uitgevoerd in opdracht van de Mondriaan Stichting en Erfgoed Nederland.

In het nawoord van de bundel Voor de eeuwigheid? Over collectiebeleid in Nederland, uitgegeven door de Mondriaan Stichting, vinden Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, en Richard Hermans, directeur van Erfgoed Nederland, het opvallend 'dat de noodzaak zich te verhouden tot een begrip als Collectie Nederland door vrijwel niemand wordt gevoeld'. Dat betreuren ze, omdat afstemming gezien de schaarse middelen belangrijk is en ervoor kan zorgen dat niet alle musea dezelfde spullen in huis halen. Musea voor moderne kunst zitten nogal eens achter dezelfde kunstenaars aan.

Luiten en Hermans vragen zich zelfs af of 'de inzet van zo veel publieke middelen wel legitiem is' als musea hun aankopen niet meer op elkaar en de Collectie Nederland afstemmen. De instrumenten om dat af te dwingen hebben de Mondriaan Stichting, Erfgoed Nederland en Instituut Collectie Nederland niet.