Sport Bewaar

Het is stil in het hok van Berteling

Ron Berteling
Ron Berteling © Marcel Israel

Het Parool struint door de schatkamer van de Amsterdamse sport en stuit op wonderlijke verhalen. Deze keer: de Jaap Edenbaan.

'Je schaatst vooruit en bij elke rode lijn maak je een schijnbeweging.' De stem van Ron Berteling (56) klinkt luid op het krabbelbaantje van de Jaap Edenbaan. Twaalf jongens van Amstel Tijgers - niet ouder dan veertien - kijken aandachtig door de tralies van hun helmen hoe de meester de oefening voordoet, de puck nooit ver van de stick. Techniek is de basis. 'In een straal van een meter moet je de puck onder controle hebben.'

Het vriespunt nadert in de maneschijn. 'Ideaal weer voor een techniektraining,' zegt Berteling na afloop. 'Als het nat is, schiet de puck alle kanten op.' Hij duwt een winkelwagen met sticks, hesjes en pucks naar de hal.

Bijna vijftig jaar geleden begon hij op hetzelfde krabbelbaantje met ijshockey. 'Ik zou eigenlijk gaan basketballen, net als mijn vader, die speelde met Ton Boot en Mart Smeets bij DED. Maar ik was te jong. Vervolgens nam een vriendje mij mee naar de Jaap Eden. Ik was meteen verkocht. IJshockey is snel, hard. Het ijs is een jungle. Wie verslapt, wordt gepakt. Je kunt je niet verstoppen.'

Cruijff
Berteling zou uitgroeien tot 'de Cruijff' van het Nederlandse ijshockey. 'Dat zegt men,' al vindt hij de vergelijking zelf ietwat misplaatst. Toch zijn er raakvlakken. Amsterdamse branie, dat eerst, maar vooral een natuurtalent dat op zijn vijftiende debuteerde in de eredivisie en een paar jaar later in het Nederlands team. Met het beste Oranje ooit speelde hij op de Winterspelen in Lake Placid 1980. En zoals de voetballers spelen om de Johan Cruijffschaal, zo openen de ijshockeyers met een wedstrijd om de Ron Bertelingschaal.

'Kijk, dit is mijn hok,' zegt Berteling als hij de trainingsspullen heeft opgeborgen. 'Koffie? De Canadezen vonden altijd dat ik van die lekkere sterke koffie zette.'

Jaren was deze plek onder de tribune in de hal zijn huiskamer, als coach van de Amstel Tijgers. Relikwieën en foto's herinneren aan de tijd dat hij nog speelde, de gouden jaren van het Nederlandse ijshockey. 'Er zaten hier gemiddeld 1500 man bij de wedstrijden. En er stonden 4000 man op Schiphol toen we ons voor Lake Placid hadden gekwalificeerd.'

Hij hield het lang vol, tot zijn 41ste. 'Ik was een technische speler. Ik dacht altijd twee zetten vooruit. Maar mijn gezicht is ook wel eens uitgedeukt.' Hij voelt aan zijn jukbeen. 'Het was toen harder, gemener.'

Kleedkamer
'Weet je wat je het meest mist als je stopt? De kleedkamer. De verschillende karakters, de gesprekken, het vertrouwen. Dat heb je alleen bij een teamsport.' Dat gevoel probeerde Berteling te behouden in zijn hok. Letterlijk met de houten banken aan de zijkant. 'En ik was er altijd als eerste, zette koffie, iedereen kon binnenlopen.' Soms ging de deur dicht. 'Wat hier niet allemaal besproken is...'

In 2001 begon hij te bouwen aan een nieuwe generatie Amstel Tijgers, waaronder zijn zoon Julian. Tot dit seizoen speelde een groot deel samen in de eredivisie. Te onervaren om succesvol te zijn, maar dat was een kwestie van tijd. Die kregen ze niet. Er is geen geld. De jongens zijn uitgewaaierd naar plekken waar ijshockey wel leeft. Tilburg, Geleen, Heerenveen.

Het gaat Berteling aan het hart dat zijn stad niet meer warm loopt voor ijshockey. Een tacktiekbord ligt onaangeroerd onder zijn bureau. 'Ik mis ze, de gesprekken, hier, zoals nu.' De geur van zweet is vervlogen. De muren hebben alle verhalen opgezogen. Het is stil in het hok.