Ajax is een grote club met een rijk verleden. Het Parool belicht de belangrijkste periode. Tussen 1965 en 1966 vormde Rinus Michels Ajax om tot een profclub. Deel 19: de introductie van de meevoetballende keeper.

Eens Ajacied, altijd Ajacied, zegt Ron Boomgaard (65). Hij plukt aan de mouw van zijn trainingspak. Een Ajax-trainingspak.

Boomgaard was tien jaar toen hij werd aangenomen als lid van de vereniging. Hij stond te boek als keeperstalent, maar ja, de knietjes. Op zijn negentiende onderging hij zijn eerste meniscusoperatie, op zijn 28ste stopte hij noodgedwongen met betaald voetbal en daarna werd hij bakker.

Voor een doelman was hij niet groot, 1,75 meter, maar hij was lenig en kon geweldig springen. Met dank aan de zandbak, onder de schuine tribune van stadion De Meer, die Michels' voorganger Vic Buckingham had laten aanleggen. In het mulle zand dienden de keepers hun sprongkracht te verbeteren.

Of dat goed was voor zijn gewrichten, betwijfelt Boomgaard, maar ja: je deed gewoon wat je werd opgedragen. Keeperstraining bestond niet, medische begeleiding was er niet of nauwelijks. Vragen over de zorg van toen heeft hij zeker, maar wat heeft het voor nut die veertig jaar na dato nog hardop te stellen? Hij was sporter in een tijd waarin maar één ding telde: de volgende wedstrijd.

Nederland had goede keepers in de jaren vijftig en zestig. Boomgaard somt een rijtje op: Frans de Munck, Eddy Pieters Graafland en later Pim Doesburg, Tonnie van Leeuwen, die veel te jong overleed aan de gevolgen van een auto-ongeluk, Piet Lagarde, Ton Thie, Nico de Bree.

Bij Ajax concurreerde Boomgaard vanaf 1963 met de zeven jaar oudere Bertus Hoogerman, maar Michels had andere plannen. De trainer haalde in de zomer van 1965 PSV-doelman Gert Bals naar Ajax en Boomgaard weet wel waarom: Bals was een meevoetballende keeper, net als Jan Jongbloed van DWS.

Zij gaven een andere dimensie aan het keepersvak, dat tot dan toe louter bestond uit het tegenhouden van de bal. Michels vond die meevoetballende keeper beter passen bij het aanvallende spel dat hij met Ajax wilde spelen.

Boomgaard beleefde zijn finest hour op 13 maart 1964 in Maastricht tegen MVV. Hij stopte in dat duel drie penalty's, nog altijd een record in het betaalde voetbal. Bij de derde strafschop bracht hij Willy Brokamp met wat Amsterdamse bluf zó van de wijs dat hij ook diens inzet net naast kon tikken.

Penalty's stoppen was zijn specialiteit. Op de wereldranglijst staat Boomgaard in de top vijf, net onder Hans van Breukelen, maar boven Michel Preud'Homme en Jean Marie Pfaff.

Voor Ajax was het vooral belangrijk dat de ploeg tegen MVV een punt haalde (2-2) in een rampseizoen, dat bijna uitdraaide op degradatie.

Boomgaard speelde in dat jaar tien competitiewedstrijden. Het gedonder met zijn knieën, het feit dat hij best een eigenwijs ventje was én de komst van Bals stonden een doorbraak in de weg.

Natuurlijk baalde hij als een stekker toen Bals kwam. De Utrechter was niet alleen goed, maar ook topfit. Boomgaard dacht vaak: raak nou eens geblesseerd. Maar Bals was nóóit geblesseerd.

Boomgaard nam de wijk naar HFC Haarlem en hij keepte nog voor Blauw Wit, toen hem op zijn 28ste duidelijk werd dat zijn knieën versleten waren. Hij nam de bakkerszaak over van zijn ouders, in de Maasstraat.

Nu de zaak verkocht is, gaat Boomgaard sinds een paar jaar wel eens met de oude garde van Lucky Ajax op pad. Keepen kan hij niet meer, met twee kunstknieën, maar hij vindt het prachtig de jongens van toen weer te zien en te spreken. Eens Ajacied, altijd Ajacied. (DICK SINTENIE)