Kunst & Media Bewaar

'Daar komt Jaring aan. Let op!'

'Daar komt Jaring aan. Let op!'
© Rink Hof

Op 2 november stond een interview met de zondag overleden fotograaf Cor Jaring in Het Parool, omdat zijn archief aan het Stadsarchief was overgedragen. 'Zal ik dan maar bij het begin beginnen?'

 
Altijd terug naar die rotstad, waar ik ook was

Het lichaam van Cor Jaring (76) wil misschien niet meer, maar met zijn geheugen is helemaal niets aan de hand. Hij ligt op de bank; de televisie staat op Discovery Channel. Hij heeft zijn sigaretten onder handbereik, maar niet op de foto graag, hij moet aan de jeugd denken.

Hij ligt pal onder een paar kleine schilderijtjes van Karel Appel. 'Die heb ik met hem geruild voor zes dia's die ik voor hem heb gemaakt. Hij had ook geen poen natuurlijk. 'Kies maar wat uit,' zei hij. Ik had liever 35 gulden gehad, maar die had ie niet. 'Neem die grote dan,' zei hij nog, maar we gingen nog naar Hoppe, dus dat werd lastig. En toen heb ik de kleintjes meegenomen. Zo ben ik aan die hele verzameling gekomen.' Hij wijst op de muur boven de bank waar geen stukje onbedekt is. Daar hangen zijn oude vrienden, toen straatarm, later beroemd.

Echt Jaring-verhaal
'Ik kon Karel goed,' zegt Cor Jaring. Dit is het begin van een echt Jaring-verhaal; hij heeft een eindeloos repertoire, waarvan sommige klassiek gepolijst zijn en andere de laatste jaren pas weer boven komen drijven.

'Ik was toen een heel goede wielrenner en ik won de Ronde van de Dapperbuurt. Die ouwe Appel, de vader van Karel, met zijn kapperszakie, sponsorde dat een beetje en ik ging mijn premie bij hem halen. Kreeg ik een gesloten envelop waar een papieren rijksdaalder in zat. Ik kwam daar vaak en dan ging ik de leesmap zitten lezen, De Lach en de Piccolo, die zogenaamde vieze boekjes.'

Nee, met dat geheugen is niets mis. Maar ja, het lijf. Hij heeft longemfyseem, dus zijn longcapaciteit is nog maar een fractie van wat die ooit was, toen hij de havenwerkers fotografeerde, het middelpunt van 'magies sentrum Amsterdam' werd met zijn vriend Robbie Jasper Grootveld en over de hele wereld reisde.

En toen lazerde hij dus in dat fietsenrek, vlak voor zijn atelier in de Dapperbuurt. 'Ik zeg je, je kunt beter breken dan kneuzen. Ik dacht dat ik kapotging! En er is niets aan te doen. Paracetamol, ja.'

Liggen
Nu bijna twee jaar geleden is hij op de bank in de woonkamer aan de Middenweg gaan liggen - hij, een man die altijd overal opdook waar de reuring was. En hij is niet meer opgestaan. Ook zijn vrouw, Willy, is niet meer goed ter been. Ze zit in de achterkamer en geeft af en toe commentaar of dient als vraagbaak: ze was er immers altijd bij geweest.

Het is niet het lijf alleen. 'Ik heb er zo'n verdriet van,' zegt hij en zijn stem wordt nog wat dunner. 'Dat ik niet meer fotografeer.' Hij wou er wel al mee uitscheiden, gezien de leeftijd. Hij zag zichzelf niet meer achter krakers aanrennen. 'Ik heb nergens voor doorgeleerd hè? Ik heb alleen zwemdiploma A, dus ik kan niets anders.'

Vorige week was de overdracht van zijn negatievenarchief aan het Stadsarchief Amsterdam. Ze hadden een feestje gepland, maar dat werd afgeblazen, omdat Cor het niet kon opbrengen. 'Het is toch een beetje alsof ik naar mijn eigen begrafenis moest.'

Atelier
En ondertussen is zijn atelier ook nog eens ontruimd, zijn vaste stek in de Dapperbuurt waar hij meer dan vijftig jaar zat. Nog met Jan Wolkers en Karel Appel en al die andere gasten die bij hem over de vloer kwamen. De Dapperbuurt, dat was eigenlijk zijn laatste project. 'Ik kende natuurlijk al die Turken en Marokkanen van kinds af aan.' Hij heeft daar al die jaren gefotografeerd, zoals hij altijd thuis was in de werelden die hij vastlegde, de havens, de Wallen. 'Zag je mij, dan zag je mijn camera.'

Hij neemt de regie over. 'Zal ik dan maar bij het begin beginnen? Dan vertel ik je zo'n beetje mijn levensverhaal.' Het is het verhaal van een jongen die opgroeit op Wittenburg, Oostelijke Eilanden, en al heel jong op zichzelf is aangewezen.

'Ik heb een paar academies gehad. Het laatste jaar van de oorlog met de Hongerwinter, toen ik samen met mijn vader lijken aflegde, was zo'n academie. Mijn vader had het geluk dat hij een behangerstafel had en hij kreeg een piek of een borrel voor elk lijk. Daar ontmoette je de mensen in al hun naaktheid en ellende.' Hij schiet vol. Cor was toen negen jaar.'

Winkeltje
En dan was er het tweedehands winkeltje dat ik met mijn vader had, na de oorlog. 'Jongen, we gaan in zaken,' zei hij. Maar ja, hij ging naar de kroeg of lag zijn kater uit te slapen en ik stond in dat winkeltje. Wat een huishouden was dat, hè Willy?' 'Van Jan Steen,' zegt Willy vanuit de achterkamer.

'Ik heb me zelf grootgebracht. En ondertussen droomde ik van een leven als wereldkampioen wielrennen, omdat ik een paar keer een rondje in de buurt had gewonnen. Geldingsdrang hè?'

En later wilde hij kunstschilder worden. 'Ik zou Rembrandt en Van Gogh een poepie laten ruiken. Daar komt Jaring aan. Let op!' Hij fotografeerde al plekken in de stad om de foto's na te kunnen tekenen.

Rotstad
Via een van zijn 'omes' kwam hij in de haven terecht. Waar nu winkelcentrum Brazilië is, veegde ooit de jonge Cor Jaring de vloer van de havenloods. Veel jongens van Wittenburg gingen naar zee. Maar hij kwam er al snel achter dat het leven van een zeeman niets voor hem was. Hij had last van zeeziekte en heimwee. 'Als ik op de pont naar Noord stond, was ik al ziek. En als ik de stad uit fietste, wilde ik al weer terug. Altijd terug naar die rotstad, waar ik ook was.'

In militaire dienst leerde hij fotograferen en werken in de doka en toen hij terugkeerde naar het havenwerk, na een korte carrière als straatfotograaf, begon hij zijn omes, zijn collega's, te fotograferen: de classificeerders, de laders en lossers. 'Wist ik veel dat die wereld op het punt van verdwijnen stond?' Waar je vroeger teer rook en kruiden, daar ruik je nu 'het rubber van gierende Porschebanden', van al die yuppen die in de haven wonen.

Hij begon er zijn geld mee te verdienen, met het fotograferen van 'stofzuigers en zo' voor de Hema. Hij kreeg de oude Leica van Eddy Posthuma de Boer, 'trots als een aap'.

Crisisjarenjongen
Hij zal nooit vergeten hoe hij op een middag in Reijnders zat en die 'halve gare gek' van een Robert Jasper Grootveld binnenkwam, de latere antirookmagiër, maar toen nog glazenwasser bij het Hirschgebouw, ook een 'crisisjarenjongen'. Hij wilde wel gefotografeerd worden, want hij was net met een vlot van sloophout door de grachten aan het varen, terwijl hij een eitje bakte. Voorbode van de roerige Provojaren. 'Kijken kan iedereen, zei hij, maar zie je het ook? Dan pas maak je foto's. Dat ben ik nooit meer vergeten.'

Hij gaf 23 jaar les op de kunstacademie in Enschede en hij geeft de fotograaf wat tips. 'Hoe wil je het hebben, jongen? Been opgetrokken? Toch maar niet? Het licht is nu mooi. Gewoon beginnen hoor, dat zei ik ook tegen mijn studenten. Eropuit en fotograferen! Zit mijn snor goed?'

In de kamers boven liggen zijn afdrukken, dozen vol. En de negatieven zijn nu naar het Stadsarchief, 'De Bazel' zegt hij. 'Ik lig daar tussen de allergrootsten,' stelt hij tevreden vast. 'Heb je het persbericht gelezen? Ik word vergeleken met Olie en Breitner! Daar ben ik zeer gelukkig mee.'

Maar verder? Hoeveel van zijn vrienden heeft hij wel niet verloren de laatste jaren? En wie moet de toespraak houden? 'Dan moet ik ze allemaal het graf inlullen.'

Tuurlijk wil ie naar buiten, maar nu effe niet. Hij kijkt over de Middenweg. 'Misschien na de winter.'


Bekijk hier een fotoreeks met de fotografie van Cor Jaring.