Binnenland Bewaar

Steeds meer wilde bijen in Amsterdam

Mannetje van de grote klokjesbij op een klokjesbloem. Deze soort is nieuw in de stad.
Mannetje van de grote klokjesbij op een klokjesbloem. Deze soort is nieuw in de stad. © Buiten-Beeld/Hollandse Hoogte

Terwijl het met de honingbij nog steeds alarmerend slecht gaat, is de wilde bij in de stad aan een opmars bezig.

Indicator voor andere dieren

Het onderzoek naar wilde bijen moet inzicht geven in het effect van de maatregelen. De bij fungeert als een indicator voor andere insecten in de stad. Het geeft bijvoorbeeld ook aan hoe het met de nachtvlinders of insectenetende vogels gaat.

In Amsterdam zijn op verschillende plekken projecten opgezet om veldjes met voedselplanten voor vlinders en bijen aan te leggen. Amsterdam kent ongeveer honderd soorten wilde bijen. In totaal komen in Nederland 350 soorten voor. Indicator voor andere dieren als vlinders en vogels

Bijen die vijftien jaar geleden zeldzaam waren, kom ik nu op verschillende plekken tegen

Bijendeskundige Arie Koster

Bijendeskundige Arie Koster staat op zijn sandalen in het hoge gras. In zijn handen heeft hij een wit netje dat hij vliegensvlug over een bos zwart mosterdzaad zwiept. De bij die net nog op de gele bloem zat, stopt hij in een glazen buisje. 'Dit is een grasbij, een soort die in een gaatje in de grond nestelt vlak bij de plek waar hij voedsel vindt.'

Het bruine insect met subtiele gele streepjes over het lijf zoemt in het buisje. Koster heeft ook een maskerbij gevangen, een klein zwart bijtje met een geel maskertje. Even later vangt hij ook nog een tronkenbij, een soort die dit jaar voor het eerst in Amsterdam is waargenomen. Ook de grote klokjesbij en de blauwe metselbij zijn dit jaar voor het eerst in de stad waargenomen.

Omslag
Koster doet in opdracht van de gemeente Amsterdam onderzoek naar de wilde bijen in de stad. Hij inventariseert zestig plekken in Amsterdam. Vandaag zijn we bij een rommelig stukje grond naast het spoorwegtalud, tegenover de Piet Heintunnel. Het staat er vol akkeronkruid.

In 1999-2000 voerde Koster, die in 2001 aan de Wageningen Universiteit promoveerde op wilde bijen in Nederland, een vergelijkbaar onderzoek in de stad uit. 'Mijn eerste constatering is dat het erg goed gaat met de wilde bijen in de stad, ik ben behoorlijk opgetogen. Bijen die vijftien jaar geleden zeldzaam waren, kom ik nu op verschillende plekken tegen. De pluimvoetbij, de wormkruidbij en de behangersbij zijn nu talrijk.' Volgens Koster was een veldje als dit twintig jaar geleden ondenkbaar.

'Alles werd platgemaaid en in plantsoenen werd met gif gespoten. In de jaren tachtig waren wilde bijen in de stad op sterven na dood. Midden jaren negentig vond er een omslag plaats en begonnen veel gemeentes met ecologisch beheer. Blijkbaar is er de afgelopen vijftien jaar ook nog een flinke slag gemaakt. Ik merk het effect.'

Honingbijen
Al gaat het met de wilde bijen de goede kant op, de sterfte onder de honingbij baart nog steeds grote zorgen. Koster: 'Honingbijen zijn te beschouwen als vee. Net als koeien zijn ze vatbaar voor ziektes. De hoge bijensterfte wordt veroorzaakt door de varroamijt, chemische bestrijdingsmiddelen en voedseltekort.' In tegenstelling tot de honingbij leeft de wilde bij solitair en produceert hij geen honing.

Het stedelijk gebied is volgens Koster voor alle bijensoorten een ideale leefomgeving. 'Op het platteland kun je honderd kilometer fietsen en geen enkele bij tegenkomen. Door de grootschalige landbouw zijn daar te weinig voedselplanten en is er te weinig nestgelegenheid voor deze insecten.' Volgens Koster zijn het nu vooral veldjes als die bij de Piet Heintunnel waar bijen het van moeten hebben.