Roos Schlikker © Oof Verschuren

Wat is uw antwoord op die ene vraag?

Wat zou u het ergst hebben gevonden? Het moment waarop ik de spoedeisende hulp ­binnenrende en werd opgewacht door twee agenten die me schielijk meenamen naar een stil kamertje? Of het telefoontje twintig minuten daarvoor van mijn vader, de tremor in zijn stem. "Er is iets verschrikkelijks met mama gebeurd."

Wat zou u het ergst hebben gevonden?

Het gesprek waarin de politiemannen zeiden: "Wij zien dit niet als een ongeval. Wij zien dit als een poten­tieel misdrijf." Het feit dat ik mijn vader, nog onderweg naar het ziekenhuis, niet mocht bellen. "Hij moet zo mee voor verhoor."

Zijn gezicht toen hij binnenkwam en de traumachirurg ons toelichtte hoe kapot mijn moeder was, van binnen en van buiten. Zijn schouders, scheefgetrokken van schrik, terwijl hij zich moest uitkleden tot aan zijn onderbroek en een papieren overall aankreeg.

Het moment dat hij werd weggevoerd en ik in een kamertje op de ic werd gepoot, vier agenten voor mijn deur. De uren daarna. Het tafeltje waarop ik leunde dat almaar trilde. Pas na heel lang begreep ik dat ik het was die de beweging veroorzaakte.

Het opspringen, steeds als ik een arts langs hoorde lopen. 'Die komt me vertellen dat ze dood is.' De wetenschap dat ik mijn vader niet kon bereiken.

Wat zou u het ergst hebben gevonden? Het moment waarop hij einde dag binnensjokte, een politiejoggingbroek slobberend om zijn benen, de schouders nog altijd niet recht.

Of kwam de doodsteek de dag erna, toen er drie brieven in de bus lagen? De eerste gericht aan mijn moeder. 'Geachte mevrouw Carstens, door u is op 26-7 bij de politie aangifte gedaan van poging doodslag.'

De tweede aan mijn vader: 'Sinds 26-7 wordt u verdacht van een strafbaar feit, poging doodslag.' De derde opnieuw aan mijn comateuze moeder, ditmaal van Slachtofferhulp: 'Wij konden u telefonisch niet bereiken.'

Wat zou u het ergst hebben gevonden, officier van justitie te Haarlem? U bent degene die de eerste twee brieven ondertekende.

Waarom mochten hij en ik elkaar niet vasthouden?

Ik heb een tijd niet aan u gedacht. Mijn moeders dood zette ons in de in de overlevingsstand. Maar nu zit ik met die vragen. Want dat u onderzoek wilde doen, vonden wij begrijpelijk. Maar waarom moest dat exact op het moment dat mijn moeders schedel werd gelicht? Waarom zette u mijn vader vast en wachtte uren met verhoren?

Waarom mochten hij en ik elkaar niet vasthouden, op de dag dat haar bewustzijn was vervlogen? Waarom ondertekent u brieven waarin een kraakheldere leugen staat? Mijn moeder lag in coma, er is door niemand aangifte gedaan.

Heeft mijn vader nu een aantekening in een politiedossier? De man die niets anders deed dan zijn vrouw vinden onder aan de trap in een plas bloed, die urenlang als een dier tegen de wanden van een cel brulde dat hij naar mijn moeder wilde.

Ik heb zo veel vragen. Maar er is nu slechts eentje waarop ik antwoord wil. Wat zou u het ergst hebben gevonden?

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. 

Reageren? r.schlikker@parool.nl