Opinie Bewaar

Toen kon mijn moeder nog soep voor me maken

Roos Schlikker
Roos Schlikker © Oof Verschuren

Het is koud in de tuin, ik warm mijn handen in de zakken van haar jas die ik al maanden draag en speel met het tandenstokertje dat ik erin aantrof. Typisch zij. Altijd bezig met poetsen, poeren en flossen. "Een mooi gebit gaat je leven lang mee."

Dat is dan gelukt, denk ik en schud meteen mijn hoofd. Ik moet het bitter buiten de deur houden.

Ik weet niet hoe ik hier gekomen ben. Ik ken dit huis helemaal niet. Mijn hoofd is een wasmachine. Het draait er voortdurend één kant op. "Virus aan je evenwichtsorgaan," zei de huisarts. "Ongelofelijk vervelend, maar het gaat vanzelf over. Ooit staat het weer stil. Doe rustig aan."

Tien jaar geleden had ik het ook. Als een verwaarloosde schurfthond denk ik zieligjes: toen kon mijn moeder nog soep voor me maken. Onzin. Mijn moeder kon niet koken. Bovendien raakte ze destijds dusdanig van de rel door mijn ziekte, dat ze uren naast mijn bed zat te huilen. "Ik ben zo depressief."

Ik nam het haar kwalijk toen. Kon het eens één keer niet over haar gaan? Maar die woede ben ik al zo lang kwijt. Van mij had het nog heel lang over haar mogen gaan. Voor mij gaat het elke dag over haar.

Bovendien kwam mijn vader steeds langs. Met ovenschotels van de groenteboer die hij in de magnetron schoof, natte drab veroorzakend die ik met smaak opat.

Ook nu belt hij dagelijks. "Gaat het?"
"Jawel."

"Doe je rustig?"
"Tuurlijk."

"En jij?"
"Dat stomme gejank."

"Ja."
"Kom ik haar beste vriendin tegen. Maken we een praatje. En dan..."
"... wil je zeggen dat het goed gaat."

"Dat stomme gejank."
"Ja."

"Ik mis haar. Dat gekke wijf."

"Ik ook, pap. Ik mis haar zo verschrikkelijk."

Nu sta ik naast een heg. Ik herken het inmiddels hier. Het is de tuin van mijn ouders. Raar dat ik dat eerder niet zag. 

Mist walmt mijn mond uit. 

'Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden, 
maar ze ontgaan ons zoals ieder jaar, 
want wij zijn blinden in een wereld waar
het blijvende niet geldt, alleen het gaande,'
dichtte Jean Pierre Rawie ooit.

Ik schuifel over het stenen paadje richting achterdeur. Even koffie drinken bij papa. Dan opeens loopt ze me vanuit de keuken tegemoet. Een pan bouillon in haar handen. 

Haar schouders recht als altijd, ze lacht, prachtige tanden, het roodbruine haar zo mooi gekapt. En ik kan niet meer ademen. Omdat zij ademt. Dit is onmogelijk. Ze is dood. Kneiterdood. Vergaan als de zomerbladeren. Maar ik droom niet, ik ben er helemaal bij. 

Toch? Ik ben helder. Ze loopt naar me toe. Ik wil schreeuwen, er klinkt slechts gepiep. Gepiep, almaar gepiep. 

Als ik wakker schrik, galmt het door het duister. Ze leefde. Echt. Ze was er. Levensecht. 

De wasmachine draait verder. En spoelt langzaam haar gedaante weg. 
Ongelofelijk vervelend. Het gaat vanzelf over. Ooit staat het weer stil.
Er ligt een tandenstoker op mijn nachtkastje.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. 

Reageren? r.schlikker@parool.nl