Opinie Bewaar

Misschien zijn we in dit leven niet meer dan passanten van elkaar

Misschien zijn we in dit leven niet meer dan passanten van elkaar
© Linda Stulic

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Deze week: een romantische roes.

We waren te vroeg. Pas over een kwartier zou de Stopera vol staan met gasten, de ambtenaar en mijn aanstaande echtgenoot. Mijn vader en ik hadden ons door de taxi aan de overkant laten afzetten. Giechelig, met bungelende armen, stonden we naast een piskrul aan de Amstel. "Even zitten dan maar?" Even zitten.

Onhandig vouwde ik me naast mijn pa op een bankje. Zijn schoenen knelden, zei hij lachend. "Wat een gedoe, hè." Een vuilniswagen reed langs en toeterde luid. De chauffeur stak zijn duim op. We praatten. Geen grote stichtelijke woorden. Ook met simpel gebabbel is soms veel gezegd. Nog even was alles gewoon, op die malle witte jurk na. Alles was gewoon en heel erg goed.

Ik weet dat ik de neiging heb me vast te klampen

De rest van de dag voelde als de bekende roes. Een mooie roes, een romantische roes, een dronken roes. Maar voorbij voor ik het wist. Op dat bankjesmoment na. Dat staat in mijn kop geëtst, doordat ik het zo bewust beleefde.

Deze week was het tien jaar geleden dat mijn man en ik trouwden. Ik blader door het fotoboek, zoals je op dit soort dagen hoort te doen. Ik bestudeer mijn gezicht. Een dertiger, maar met babyspek op de wangen. Omhelsd door mijn man, nauwelijks grijs nog. Ik zie mijn ouders stralen. Ik lach om de gezichten van alle gasten. Bijzondere haardrachten, brillen die ik vergeten was, meisjes in een te nette jurk, spijkerbroekenboys in gestreken overhemd. Sommigen, toen slechts kennissen, zijn inmiddels mijn beste vrienden. Anderen, toen beste vrienden, zie ik nauwelijks nog.

Misschien zijn we in dit leven allemaal niet meer dan passanten van elkaar, denk ik een tikje dramatisch, terwijl ik bladzijdes omsla. Passanten die vrienden worden, die geliefden zijn, die eeuwige trouw beloven. En die ook weer kunnen gaan. Gepasseerd station.

De gedachte is even onverdraaglijk als realistisch. Ik weet dat ik de neiging heb me vast te klampen. Het liefst kreeg ik van iedereen om me heen een boterbriefje. Maar nu zie ik hoeveel er voorbij is gegaan.

Plotseling kijkt ze me aan. Mijn tante. Met de lieve zonnelijnen naast haar ogen. Sproetenkop. Stralend hoofd. Op de foto's speecht ze en overhandigt me een poppenservies. "Daar speelde je als klein meisje altijd mee." Een poppenservies? Speelde ík als jongensmeisje daarmee? Ik kon ze me toen niet meer herinneren, de bordjes en schoteltjes van ooit. Nu ben ik blij dat ik ze heb.

Want mijn tante ging dood. En mijn handen snakken naar spullen die zij heeft aangeraakt, uit angst dat ik vergeet hoe de kuiltjes in haar wangen vouwden als ze lachte.

Tien jaar. Een roes van werken, van kinderen krijgen, van vliegen, van landen. Van vriendschappen sluiten, vrienden verliezen, geboortes, sterftes. Van passanten. Van mensen die bleven. Zo lang als het duurt. Want het eeuwige bestaat niet.

Dus zit er niets anders op dan me vastklampen aan momenten. En die momenten uithollen, eindeloos foto's maken in mijn hoofd. Zodat vijf minuten babbelen naast een piskrul aan de Amstel een levenslange herinnering wordt. Wat er ook gebeurt.


r.schlikker@parool.nl