Opinie Bewaar

Misschien moet ik ons huis maar gewoon in de fik steken

James Worthy
James Worthy © Agata Nowicka

Het is woensdagochtend. De regen tikt tegen het raam als een overdreven geïnteresseerde hoerenloper. Mijn zoon zit op de grond, hij bouwt een bos van blokken met blokken die vroeger bomen waren.

Over een kwartier belt de schoonmaakster aan, dus ik heb nog een kwartier om het hele huis schoon te ­maken. Ik kijk in de gootsteen en ruik de gymschoenen van de duivel. Er is in onze gootsteen een seksfestijn gaande en alles en iedereen lijkt te zijn uitgenodigd voor deze ode aan de losbandigheid.

Borden, paprikapitjes, kommen, hagelslag, theelepels en broccolikruimels. Mijn favoriete soepkom heeft een koortslip van hard geworden havermout. Hij smeekt bij mij om een afwasborstel. Ik pak de kom uit de wasbak en probeer de havermout met een nagel weg te krabben, maar mijn nagel is niet robuust genoeg.

Ontgoocheld trek ik de deur van de afwasmachine open. Ik hoop dat hij leeg is, ik hoop dat de meest hygiënische engel van god, een engel met vleugels en smetvrees, onze afwasmachine heeft leeggehaald, maar mijn hoop blijkt zoals altijd de neef van teleurstelling te zijn geweest. Al ons servies staat netjes in rijtjes. Schoon en wel, maar volledig op de verkeerde plek.

Ik wil een boze brief aan de bedenker van de afwasmachine sturen. Iets over dat afwassen nooit het echte probleem is geweest, maar het opbergen. Dat je met een rasp in je handen staat en simpelweg niet meer weet in welke la of kast de rasp woont.

Een week geleden was ons huis schoon. Zeven dagen later is ons huis ongeveer net zo schoon als de wielrensport

Een afwasterugzetmachine, dat had die meneer of mevrouw moeten uitvinden. Weet je wat het ook is met afwasmachines? Als je niet eerst je handen wast voordat je de afwasmachine uitruimt, maak je in feite alles wat proper was weer onproper.

Ik heb nog vijf minuten. Ik haat dit moment. Waarom kan ik alleen ons huis schoonmaken op de ochtenden dat de schoonmaakster komt? Nee, ik heb geen tijd voor filosofische vraagstukken, hoe ziet onze badkamer eruit?

Overal liggen handdoeken. Die dingen liggen zo vaak op de grond dat ik ze maar voetdoeken ben gaan noemen. Aan mijn kant van de wastafel staan drie bussen deodorant. Twee ervan zijn leeg, maar ik vergeet steeds welke. In de wastafel wemelt het van de blauwe tandpastavlekken. Ik wil een boze brief naar de bedenker van de badkamerwastafel sturen. Iets over dat ik niet begrijp waarom die dingen wit zijn, maar ik heb geen tijd.

Misschien moet ik ons huis maar gewoon in de fik steken. Dan geef ik de buren de schuld. Hun zoon is twaalf. Alle twaalfjarige jongens houden van vlammen. Alles is beter dan die ene blik die onze schoonmaakster mij kan geven. Die 'hoe kan dit?'-blik.

En ze heeft gelijk. Een week geleden, toen ze ons huis verliet, was ons huis schoon. Je kon er van de grond eten en je kon er met het plafond tongzoenen. Maar zeven dagen later is ons huis ongeveer net zo schoon als de wielrensport.

Ze komt binnen. Ik wil door de grond zakken, maar de grond is zo stoffig dat erdoorheen zakken onmogelijk is.

"Hoe is het?" vraag ik. Ze kijkt naar de huiskamer. Mijn zoon is een overrijpe peer boven de printer aan het eten. "Hebben jullie weer een feestje gehad?" vraagt ze.

Ik ren naar de douche en probeer met een schuursponsje de schaamte van mijn gezicht af te schrobben, maar de schaamte blijkt onverzettelijker te zijn dan ­havermoutresten.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl