live

Klein geluk in Amsterdam: Op weg naar het café

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Tien wollige witte schapen

    Tien wollige witte schapen op wieltjes en in ­aflopende grootte, die op een holletje voortgetrokken worden door een meisje met een Marie Antoinettepruik op, waar zie je dat nog?

    We gingen naar de opera, naar de Barbier die we allemaal kennen van de beroemde aria zoals gezongen door Dorus (‘we gaan naar de kino/ en huren een kano/ ’k weet een café met een oude piano/ links om de hoek bij het meer van Lugano/ daar ga ik dan heen met die lieverd alleen’) of door de Parel van Volendam, waar ie in de vertaling van Jan Rot ongeveer zo gaat: ‘Wil je een harinkie/ of liever een palinkie/ harinkie palinkie/ palinkie harinkie/of liever garnalen/ uit Monnickendam’.

    Op het Rembrandtplein, zagen we, was een ijsbaantje gekomen en de kerstverlichting in de Utrechtsestraat reikte tot Oosterling. In de Amstelstraat tochtte het, zoals het altijd doet in de Amstelstraat. “Nare straat,” zei mijn geliefde.

    “Het schijnt hier vroeger heel gezellig geweest te zijn,” zei ik. Dat had ik van mijn ouders. Zelf herinnerde ik me alleen het theater waar we een keer met een hele ploeg van school naar Rooie Sien waren geweest.

    Dat was me wat, al die keurige Spinozaleerlingen bij een voorstelling van het Amsterdams Volkstoneel met de legendarische Beppie Nooy als Rooie Sien, achteraf raakten we er niet over uitgepraat. “En hier zat de Krokodil,” zei ik. “Daar kwamen alleen maar oude nichten.” Het waren wonderlijke tijden die achter ons lagen.

    Voor de ingang van de opera speelde een man op een tuba en toen tijdens de ouverture van Rossini’s Barbier van Sevilla de gordijnen opengingen, holde er een meisje voorbij dat een Marie Antoinettepruik droeg en tien wollige witte schapen in aflopende grootte op wieltjes voorttrok.

  2. Twee gekruiste handen

    Nadat ik in de binnentuin tussen Roelof Hart en Gerard Terborg drie rondjes om de zonnewijzer had gereden en zo ruim de tijd had om de nieuwe knoppen in de magnolia te bewonderen, kwam ik Anne tegen, die me vertelde over de begrafenis van een wederzijdse vriendin.

    “Martie was zo dronken,” zei ze, “dat ze van haar fiets viel.” “Zo mag ik het horen,” zei ik. Op begrafenissen kan niet genoeg gedronken worden. Over het onderwerp valt het nodige te zeggen, maar in plaats daarvan besloot ik mijn schreden naar Zorgvlied te richten.

    Het was koud in het Beatrixpark. En hoewel je de snelweg altijd hoort razen, was het stil. Het enorme hotel dat naast het park verrijst, is nog steeds niet klaar, maar tot mijn grote vreugde zag ik bij de doorgang naar station RAI twee stenen leeuwen staan, zodat mijn verzameling stenen leeuwen­paren nu vier deelnemers telt: Willem de Zwijgerlaan (bij de gerietdekte villa), Oosterdok (bij de peperbus), Amsterdam-Rijn­kanaal (tussen Nesciobrug en Oranjesluizen) en hier dus, het wordt nog eens wat.

    Op Zorgvlied waren een paar mannen aan het zagen en af en toe hipte een ekster voorbij, verder was het op dezelfde manier stil als in het Beatrixpark. Zoals meestal waande ik mij alleen.

    Nadat ik een platgereden en roestige kroonkurk op het graf van mijn dode vriendin had gelegd, bekeek ik het monumentje dat Martie gemaakt heeft voor Kitty Courbois, twee gekruiste handen, haar voornaam en de karakteristieke bloem, zoals zij die graag tekende, mooi.

    Op de terugweg verdwaalde ik, zoals ik dat op Zorgvlied vaker doe, maar toen ik de uitgang ­gevonden had, was daar als altijd de rivier.

  3. Toet toet, boing boing

    De drie Musketiers waren met zijn vieren, het gelijknamige accor­deonduo was met zijn tweeën, wat een van de kenmerken van een duo is, dat ze met zijn tweeën zijn.

    Duo’s hebben het niet makkelijk, Johnny en Rijk bijvoorbeeld lieten daarover geen twijfel. Hun show heette Een paar apart, en dat was het. Altijd heisa en heibel en om het extra ingewikkeld te maken, te veel drank.

    Niet alleen Johnny en Rijk hadden last van het duo zijn. Toen ik tijdens een bijeenkomst in kunstboekenantiquariaat Egidius na een inleidend gesprek over Snuf en Snuitje samen met Jan de duo-balans opmaakte, bleken duo’s vrijwel nooit voor het geluk geboren.

    Walden en Muijselaar (Snip en Snap) lijken de uitzondering, maar Bassie en Adriaan (‘Ik ben wel dom, maar niet slim’) konden elkaar wel vermoorden, om over Peppi en Kokki (‘Toet toet, boing boing’) maar te zwijgen. Tragisch, na een leven lang sappelen eindelijk succes en dan elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

    “Kan je je Wil van Selst herinneren?” zei ik. Dat kon Jan zich niet. Wil van Selst was de verteller van Peppi en Kokki, en dat deed hij voortreffelijk, zoals hij alles wat hij deed voortreffelijk deed.

    Of hij nou Henri Salvador speelde die bij Fred Haché L’abeille et le papillon zong (“Scheer je weg, nep-Henri Salvador”) of een boer in vers gesteven blauwe overall in Summer in the fields, een sad movie van Wim van der Linden.

    Onze dochter die van de Peppi en Kokki-generatie is, had als kind een verschrikkelijke hekel aan de twee matrozen. Dat meent ze zich ook te herinneren. Maar om haar te pesten houd ik altijd vol dat ze zich dat wegens te jong onmogelijk kan herinneren en dat ze juist hun grootste fan was.

  4. Het einde van onze jongensjaren

    De Esmoreiters stonden met zijn allen voor het Roomse blok dat daar in het begin van de ­jaren vijftig was verrezen. Daarvoor was er een landje, waar nog lang een stuk van de vleugel van een in de oorlog neergeschoten vliegtuig had gelegen.

    Maar toen de toffelemonen kwamen, moest de vleugel weg om plaats te maken voor meneer pastoor, die in een jurk gehuld de woningen afging om borreltjes te drinken en te zeggen dat er meer kindertjes moesten komen. Tenminste, dat zei mijn moeder.

    Terwijl we, gemengd als vroeger op de openbare school, nog stonden na te gniffelen, ging er een deur open. In de deuropening verscheen een dame op leeftijd die het gezelschap enige tijd opnam en toen onze namen begon op te noemen.

    Het was Mizzi van Son die hier al sinds 1950 woont. ‘Zij gaf,’ schreef Loek Dikker de volgende dag, ‘een extra dimensie aan de samenkomst en onze ronddwaling door onze oude buurt. Met haar herinneringen is er nog steeds iets van ons in de Esmoreitstraat aanwezig. En daar had ik niet op gerekend.’

    Wie er niet was tijdens onze wandeling, was Gisela. Haar vader had, in de zomer van 1954 schat ik, de Sparwinkel op het pleintje overgenomen van meneer Pas.

    Ik herinner me dat wij jongens op het pleintje onze jongensdingen ­deden, zoals voetballen, vechten en vieze praatjes verkopen, terwijl de meisjes kaatsenbalden en hinkelden, zoals meisjes, griezelige wezens waar je niks aan had, dat ­deden, toen Gisela voor het eerst naar buiten kwam.

    Een moment was het stil, daarna was het met voetballen, vechten en vieze praatjes vertellen voorgoed gedaan. ‘All the boys love ­Gisela,’ zongen we en we sprongen touwtje tot we erbij neervielen. ­Gisela was het einde van onze jongensjaren.

  5. Een rechtgeaarde Esmoreiter

    Het was een wonderlijk gezelschap dat zich op donderdag 29 november verzameld had in het poortje, het eerste poortje om precies zijn, dat de Bos en Lommerweg verbindt met de Tijl Uilenspiegelstraat.

    Het was een man of dertig, mannen en vrouwen, allemaal zo rond de 70 zo te zien. Een man die iets apart stond, verhief plotseling zijn stem en zei: “Laten we nu allemaal doen wat een rechtgeaarde Esmoreiter deed en doet als hij zich in een poortje bevindt.”

    Vrijwel op hetzelfde moment klonk er uit alle kelen een luide kreet die weerkaatste tegen muren en plafond, even waren we allemaal weer jong.

    Een reünie van de straat waar je geboren bent, wie heeft ooit zoiets gehoord, maar na maanden van voorbereiding was het zover en stonden we klaar om onze straat en zo ons verleden binnen te lopen.

    Iemand wees zijn geboortehuis op nummer 57, de deur was nog de deur uit zijn jeugd. Iemand anders wees het hekje rond het perkje waar ze nog eens van afgelazerd was, en ik wees naar het huis op driehoog aan de overkant waar Robbie Sijmons woonde.

    Ik vertelde dat zijn ouders een keer een nieuw bankstel hadden gekocht, een hele gebeurtenis in die dagen, en dat ze het bankstel daarna in de plastic verpakking hadden laten zitten, iets waar ik zoveel jaar later nog niet over uitgepraat ben.

    Ik wist ook nog dat ik bij Kees Timman thuis voor het eerst zuurkool had gegeten. En een heel ei op een boterham. Ik wist niet dat het kon.

    Marion Dammers van de overkant vertelde daarop dat wij eens voor een nacht van bed hadden geruild. “Toen je moeder de volgende ochtend een eitje voor me had gebakken, zei ze dat het best op twee boterhammen kon.”

  6. Vijftig kroketten

    Toen mijn geliefde vijftig werd, heb ik voor haar een map gemaakt met daarin vijftig unica in tien categorieën. Vijf manuscripten, vijf handgeschreven gedichten, vijf schaakpartijen, vijf foto’s van Marilyn Monroe en vul maar verder in tot je aan de tien en dus ook aan de vijftig bent. Het was een gigantisch karwei waaraan ik, in het diepste geheim uiteraard, maandenlang, vaak tot laat in de nacht bezig ben geweest.

    Het was zelfs zo erg, dat mijn even frequente als geheimzinnige afwezigheid nog bijna tot huiselijke twisten leidden. Maar de verjaardag werd een groots festijn met zang en dans en feestgedruis tot in de kleine uurtjes, zo’n feest dat je van leven niet meer vergeet en waarvan zelfs de kleinste ­details voor altijd in je geheugen staan gegrift.

    Van nul naar vijftig is een lange reis, waarvan met name de eerste dertig jaar eeuwig lijken te duren, terwijl ook de twintig jaar die volgen nog veel tijd in beslag nemen.

    Maar daarna gaat het hard, een­ieder die boven de vijftig is, kan dat bevestigen. Decennia vliegen voorbij of het niks is, en zo kon het gebeuren dat we plotseling een verjaardag te vieren hadden, waarvoor zeven cadeautjes nodig waren.

    Op het feestje waar ik de cadeaus cadeau mocht doen, waren verscheidene mensen die er twintig jaar geleden ook bij waren. En dus werden er herinneringen opgehaald. “Weet je nog dat we vijftig kroketten hebben gehaald,” zei Maaike. “Bij snackbar Constantijn.”

    Vijftig kroketten? Ik was paf, want hoe kan een mens in hemelsnaam vijftig kroketten vergeten. Een paar weken later werd er aangebeld bij onze dochter die net een artikel over een hongersportdieet geschreven had. Toen ze opendeed, stond er een doos met 35 cheeseburgers op de trap.

  7. Stropdassen, en gros

    Mijn moeder had een vriendin die onbevlekt was ontvangen. Hoe het precies zat, wist ik niet, maar volgens mijn moeder had ze een kind gekregen zonder dat ze ooit, nou ja je weet wel, net als Maria.

    Over nou ja je weet wel had ik vage ideeën, maar van Maria wist ik niets. Waarop mijn moeder over een heilige geest begon die Maria zonder nou ja je weet wel zwanger had ­gemaakt, zodat ze onbevlekt ontvangen was. Net als Doortje van der Smaal.

    Doortje van der Smaal woonde op de Hobbemakade, schuin ­boven de boekwinkel tegenover de bloemenschuit. Wij gingen wel eens bij haar op bezoek en dan speelden Doortje en mijn moeder quatre-mains de Vlooienmars op de piano.

    Het onbevlekt ontvangen kind heb ik nooit gezien. Gé en Doortje van der Smaal hadden een Pampus en als ik haar op de jachthaven zag, had ze een sjaaltje om haar hoofd geknoopt, waarvan de knoop boven haar voorhoofd zat. Gé van der Smaal verkocht dassen, en gros.

    Om de hoek, in de Roelof Hartstraat, boven de ­Natuurwinkel, woonde nog ­iemand die dassen verkocht. Stropdassen, huis aan huis, vanuit een koffer. Het was de vader van een vriendin, die op zolder een atelier had.

    Op het atelier stond een ezel met daarop een schilderij van een niet-voltooide zonsondergang aan zee. Wij lagen meestal op kussens op de grond, tot die vader de trap kwam opgeslopen om op hoge toon te vragen wat wij aan het doen waren.

    Een tijdje terug vroeg ik aan Theo van de Kaaswaag of hij wist waar de Natuurwinkel had gezeten. “Hier,” zei hij. Toen ik in het portiek ging kijken, bleek het naambordje van toen nog aan de deur te zitten.

  8. Tot de vierde macht in Londen

    Nadat we in Londen met uitgever en vertaalster hadden gevierd dat Song of Stars, de vertaling van mijn Sterrenlied over Sientje Abram, was verschenen, bleken we nog een hele dag over te hebben.

    Wat te doen? zoals Lenin reeds zei.

    Wij kozen er voor naar Camden Lock Market te gaan, een vriendelijke kleinschalig marktje zo was ons verteld, waar een bootje vertrok dat door het Regent ­Canal naar Little Venice voer.

    De markt bleek een soort Foodhallen, maar dan tot de vierde macht verheven, maar het bootje lag er, afgemeerd aan een kade waarop een rij kleine eettentjes stond geschakeld. In volgorde van opkomst: Camden Pizza, Kolkat Katirolls, Fish & Chips Calamari, Hotdog. Indonesian Street Kitchen, Steak & Chips, Columbian Street Food en Halloum Fries.

    Omdat de huisjes in tweeën ­waren gedeeld, kon je aan de ­achterkant ook terecht, en wel voor Arepa Venezuelan Street Food, The Mac Factory, Baba’s G’s Bhangra Burger, Chicken Strips, Katsu House, Burgers & Fries en Caribbean Chicken & Chips.

    Wij gingen voor de calamaris en daarna aan boord voor een van de mooiste boottochtjes mij bekend. Het bootje met zijn twee passagiers gleed in stilte over het spiegelende water, bomen in herfsttooi aan de ene kant, het jaagpad aan de andere, onder elegante bruggen door, door lange tunnels, langs fraaie landhuizen en vrolijk opgeschilderde woonbootjes.

    Toen we later op de middag in ­Upper Street bij Fox on the Green zaten, waar ze naast een lekker biertje voortreffelijke chorizo­kroketjes bleken te serveren, doemden aan de overkant van de straat in de invallende schemering de rode neonletters op van Screen on the Green, een ouderwetse bioscoop die mij sterk aan de Odeon deed denken.

    Bij Odeon hadden ze variété, hier niet, maar leuk was het.

  9. Met touwtjes aan elkaar

    I Amsterdam moet verdwijnen, maar de letters in het verder verlaten veldje bij Breda staan erbij of ze van geen wijken zullen weten. ‘IK GA’, zeggen ze, ‘VIA BREDA’. Ik ook dus.

    Ik wist het niet, u misschien wel, maar voor het geval u het niet wist, laat ik het u bij deze weten: als je van Amsterdam naar Brussel moet en om redenen niet van de Thalys gebruik kunt maken, ­beland je in een boemeltje dat ­getrokken wordt door een oude stoomdiesel die met touwtjes aan elkaar hangt.

    De trein zelf is een tweedehands­je waarin ze van gevaarlijke ­nieuwigheden als wifi of een digitaal display waarop je over de vorderingen van de reis op de hoogte wordt gehouden, niet hebben gehoord. Een keer per tweeënhalf uur komt er een man met een rugzak voorbij die kwattarepen verkoopt en uit een keteltje keteltjeskoffie schenkt.

    Af en toe wordt er iets omgeroepen. Dit geschiedt in het Fins, Marols en Urdu, door iemand die geen van deze talen beheerst en voortdurend wegvalt en als hij niet wegvalt, begeleid wordt door mokerslagen op een aambeeld dat in de smederij staat waar het vuur brandt dat de trein verwarmt.

    In Rotterdam hield de trein ermee op. “Oerdie wah dah doeroetoe,” werd er omgeroepen. Na een kwartier reden we weer, maar in Breda ging de stekker er definitief uit.

    De volgende trein had de ­nodige startproblemen maar na een reis van vijfenhalf uur bereikten we Brussel waar de Eurostar naar Londen een half uur eerder vertrokken bleek. De volgende ging twee uur later. Wat twee uur en een kwartier werd, omdat er ­gewacht moest worden op passagiers van de vertraagde trein uit Amsterdam.

    Te Berchem las ik op een bord: ‘Hier danken wij de dingen’.

  10. Een stolp van donker glas

    Op woensdag 14 november 2018, klokke vijf, verliet ik ons huis om op de Ceintuurbaan een gegrilde kip te kopen. De maan, in het eerste kwartier, piepte net boven de huizen uit, terwijl de zonsondergang de hemel kleurde.

    Met de maan aan mijn rechterzij en de zonsondergang in mijn rug liep ik de ­Gerard Terborgstraat uit in de richting van de Boerenwetering. Eenmaal op de brug zag ik hoe het blauwe uur de Ceintuurbaan binnen sloop.

    Het ene blauwe uur is het andere niet. Het blauwe uur is altijd mooi, maar het ene is nog mooier en intenser dan het andere.

    Wat er nu aan het gebeuren was, herinnerde me aan het blauwe uur zoals ik dat lang geleden mocht ervaren in Florence. We hadden iets staan drinken in een krap café bij de markt.

    Weer buiten belandden we volkomen onverwacht in het volmaakte blauwe uur, dat de lichtjes van de marktkramen in een vonkenregen omtoverde en van de gebouwen met hun torentjes geheimzinnige schimmen maakte.

    Op de Ceintuurbaan trokken de achterlichten van de auto’s en de fietsers lange rode strepen door de schemering, terwijl de hemel steeds meer op een stolp van donker glas begon te lijken.

    Ter hoogte van de stralend oplichtende neon van de Rialto stond een jongen midden op de weg tussen de rails te fotograferen.

    “Weet je wat je aan het fotograferen was?” zei ik tegen hem toen hij zijn fiets van het slot haalde. “De Ceintuurbaan?” zei de jongen, en toen ik moest lachen, “de zonsondergang?”

    Nadat ik de kip had gehaald, liep ik door het donker terug naar huis. Niets herinnerde aan het spektakel dat zich even eerder had voltrokken.

    Of het moest de maan zijn die iets hoger was gaan staan.

  11. In de Koestraat

    Op weg naar de Monnikenstraat was ik op de een of andere manier bij de Koestraat beland. Even overwoog ik een espresso bij Tofani, maar wat als ie tegenviel? Toch maar niet dus.

    In de Koestraat woonden Henk en Eva en hun dochter Annabel die gezeten in haar kinderstoel met een theelepel op het blad sloeg en dan “eitje, eitje” riep.

    Een huis verder woonde Bob Langestraat, de zoon van Billy Longstreet ook bekend als Laguestra. Bob was filmregisseur en bevriend met Johnny ‘Poema’ Recourt en met Pietje Synopsis.

    Pietje Synopsis op zijn beurt was de tweelingbroer van Anton Quintana, groot schrijver, maar een met een handicap: wat hij schreef, kon hij zelf niet opschrijven, dat moest Lucien voor hem doen. ­

    Lucien was getrouwd met de zuster van mijn dode vriendin, en zij woonden met zijn drieën, bent u daar nog, in een groot huis op de hoek van de Monnikenstraat en de Oudezijds Achterburgwal.

    Inmiddels was ik ook op de Oudezijds aangeland, waar ik zag dat het hek naar de Gedempte Huidenvetterssloot openstond, een buitenkansje dat ik niet kon laten lopen.

    De man die kwaaiig vroeg wat ik hier te zoeken had, had een tandenstoker en een niet brandende sigaret in zijn mond. “Niks,” zei ik, “even kijken.” Even later toen de man op de fiets zat, zei ik: “Mooi hier,” waarop hij in een klap ontdooide.

    “Hoe lang zit de boel al op slot?” vroeg ik, “een jaar of dertig?”

    “Twintig ,” zei hij, en “fijne dag nog.”

    Hij fietste weg, richting Monnikenstraat. Lucien is al een paar jaar dood en zijn vrouw, hoorde ik eerder op de dag, is in een hospice opgenomen. In het huis waar zij woonden, zit seksshop La pomme rouge.

    Barbara is inmiddels overleden.

  12. Alle auto's even erg

    In de Jan van Galenstraat, bij het stoplicht op de hoek met de Willem de Zwijgerlaan, stonden we naast een au-tootje van de Red Bull. Het autootje was in Red Bull kleuren gespoten en op het dak stond een enorm blik Red Bull, waarop niet alleen werd medegedeeld dat Red Bull een energiedrank is, maar ook dat het ‘laudrine’ bevat.

    De twee meiden die giechelend achter het stuur zaten, die ene dan, die andere zat giechelend naast haar, leken er niet mee te zitten, met de laudrine noch met dat enorme blik op hun dak.

    Bij ons in de straat woonde vroeger een vertegenwoordiger van Prodenttandpasta. Deze vertegenwoordiger reed in een Volkswagen in Prodentkleuren, dat wil zeggen dat de ene helft van de Volkswagen knalrood was en de andere helft knalwit.

    Op zijn dak stond een reusachtige tube Prodenttandpasta, ook rood en wit. En de vraag was altijd of het nou fijn was in een rood-witte Volkswagen te rijden met een reuzentube Prodent op je dak.

    “Hij rijdt wel gratis,” wist mijn moeder. Dat was een voordeel, want omdat wij ook een Volkswagen hadden, de RK-69-03, wisten we hoe duur het was een auto te rijden, en dat terwijl hij de hele week voor de deur stond.

    Want mijn vader ging gewoon op de fiets naar zijn werk. Met de auto naar je werk, het idee, wie had ze ooit zo zout gegeten. “Maar zo’n tube tandpasta op je dak,” zei mijn vader, “ik zou me doodschamen.”

    Mijn tienjarige ik was neutraal. Ik vond alle auto’s even erg. Niet als ze stil stonden, maar wel als je erin moest zitten om ergens heen te gaan, waar je nooit naartoe wilde.

  13. Sandra vergeet het niet

    Op de stationstrap wierp het bevallige meisje dat naast mij liep een blik op mijn koffertje en vroeg of ze het van mij moest overnemen.

    “Nee,” zei ik, “dat red ik nog wel. Volgend jaar misschien?”

    “Afgesproken,” zei ze.

    Eenmaal in de tram zag ik iets waar je over leest, maar wat ik geloof ik nooit met eigen ogen had aanschouwd. Een vader haalde een zak snoep tevoorschijn en bij die aanblik klapte zijn dochtertje van vreugde in haar handen.

    Altijd gedacht dat die handenklapperij zoiets was als het spitsen van je oren of het schrapen van de keel, maar nee dus, het bestaat echt.

    Nadat ik was uitgestapt, begaf ik me naar Arnold Cornelis voor een kroketje. Bij Arnold Cornelis voor de deur staat een bank waar ik graag op zit. Je hebt er een fraai uitzicht over de Van Baerlestraat en een aardig inkijkje in de diverse zijstraten. Er passeren fietsers en wandelaars, auto’s, bussen en trams, van alles te doen dus. Laatst nog zag ik Karel van het Reve voorbij lopen, weliswaar was het zijn zoon, maar toch.

    Als ik mijn kroket heb besteld, zeg ik dat ik buiten ga zitten en vraag ik of ze me even waarschuwen als ie klaar is. Wat ze altijd vergeten.

    Op de presentatie van de tweede verzameling Klein geluk in Boekhandel Martyrium vertelde ik het verhaal aan mijn buurtgenoten. Dat ik dat had gedaan, vertelde ik nu aan Sandra bij wie ik mijn kroket had besteld en tegen wie ik had gezegd dat ik buiten ging zitten.

    “Daar zou ik tegen geprotesteerd hebben,” zei ze. “Ik vergeet je nooit.”

    Even later kwam ze naar buiten en hield het zakje met mijn kroket triomfantelijk omhoog.

    “Zie je,” zei ze, “Sandra vergeet het niet.”

  14. Een mooie taakverdeling

    Op de Boekenmarkt op het Spui zag ik tot mijn verbijstering twee ingebonden jaargangen van het Franse tijdschrift Aviation liggen. De jaargangen 1910 en 1911, uit de grootse begintijd van de vliegerij, toen ze allemaal nog vlogen: Curtiz, Wright, Garros, Blériot, Santos Dumont.

    En hier werd verslag gedaan van hun avonturen, in honderden artikelen met honderden adembenemende foto’s, en dat voor de prijs van een gemiddeld etentje met zijn tweeën.

    Niet goedkoop dus, maar beter duur dan niet te koop.

    Mijn hoofd was nog in de wolken toen ik werd aangesproken door een man met een baard en een wandelstok. “Je kent me niet meer,” zei hij, “maar ik ben Pim Koldewijn.”

    “De dichter!” riep ik. Begin jaren zestig zaten we samen in de redactie van de Telescoop, de schoolkrant van het Spinoza Lyceum. Pim gebruikte zijn redacteurschap om zijn gedichten te publiceren die vervolgens door mij onder het pseudoniem de Drie Turven belachelijk werden gemaakt, een mooie taakverdeling.

    “Schrijf je nog versjes?” wilde ik weten. “Ik ben er nog een tijdje mee doorgegaan,” zei Pim, “maar toen ben ik natuurkunde gaan studeren.”

    We kregen het over de andere redacteuren van de schoolkrant. Over Arthur Hartkamp die schitterend rijmende verzen schreef: ‘Verliefdheid is als bloemengeur/Een graag opbloeiend lenteodeur’; over Lars Nigtevecht die om de een of andere reden in het Engels dichtte.

    Dit zijn de eerste regels van A Question From a Soldier: ‘I’m not afraid to die this very moment/ If only someone told me why’. Dat heb ik uit een oude schoolkrant, maar van Dik Ruiter wist ik nog een regel uit mijn hoofd: ‘De slotheer is onrustig’.

    Pim begon zijn Extase met: ‘Twee nauwe pijpen/ en een rode rok’, dat is beter dan ik toen vermoedde.

  15. Ook niet de slechtste

    In het gebouw van roei­vereniging De Amstel hangt een skif aan het plafond. Een paar jaar geleden nog moest het gebouwtje weg om te wijken voor een megalomaan stadsdeelkantoor, maar gelukkig is dat niet doorgegaan.

    Je hebt er een prachtig uitzicht op het water en op de Amstelkade aan de overkant. De laatste keer dat ik hier was, was in het voorjaar van 1960, toen mijn vriend nog roeide en ik eens ben gaan kijken hoe hij het ruime sop koos in zijn wherry.

    Daar viel niet veel aan te beleven, want hij was in een oogwenk om de hoek verdwenen en voor water en ­kaden had ik toen nog geen ­belangstelling. Op je zestiende heb je wel wat anders aan je hoofd. Ik denk dat ik even langs ben ­gegaan bij een vriendin in de Roelof Hartstraat.

    Op de bijeenkomst in het club­gebouw maakte ik kennis met een vrouw die de achternaam van haar man droeg en die nadat ze die naam had genoemd, aarzelend zei dat het eigenlijk haar naam niet was, maar dat ze de eer had zich zo te mogen noemen.

    “Hoezo eer?” zei ik, “mijn geliefde heeft altijd haar eigen naam gehouden.”

    “Dat kan ook natuurlijk,” zei ze. “Ik heet Zwolsman.”

    Een gesprek met iemand die je niet kent, is als schaken. Je moet vooruit denken en dus zei ik: “Niet de beste schilder van de wereld, maar ook niet de slechtste.”

    Waarop de vrouw natuurlijk zou vragen wat ik daarmee bedoelde en ik over Nescio’s Bavink kon beginnen die immers gemodelleerd is naar de schilder Johannes Zwolsman. Maar de vrouw zei: “Dat was mijn grootvader.”

    Oom Frits en tante Aagje had ze goed gekend. Tante Aagje was heel aardig, maar Nescio was een saggerijn.

  16. Gevaarlijke heksen en schatgraven

    Marthe was vijf geworden en dat had ze ­gevierd met tien vriendinnen en een speurtocht die naar een schatkist leidde. Marthes moeder liet een filmpje zien waarop de tien kinderen rond de schatkist stonden, allemaal met een toverstokje in hun hand.

    “Hokus, pokus, pilatus, pas, ik wou dat de schatkist open was,” zongen ze en verdomd, dat was ie.

    Die toverstokjes hadden ze gemaakt omdat de toverheks van dienst haar toverstaf kwijt was en dus de schatkist niet meer open kon krijgen.

    “Dat had ik een beetje onderschat,” zei Marthes moeder, “want er waren meteen kinderen die vroegen of de toverheks dat wel goed vond, dat zij naar haar schatkist gingen zoeken. Ze waren bang dat ze misschien kwaad zou worden.”

    “Wat heb je gezegd?” zei ik.

    “Dat het volgens mij een heel aardige toverheks was en ze zich dus geen zorgen hoefden te maken. Maar toen was er een kind dat wilde ­weten hoe ik dat wist, dat het een aardige toverheks was. ‘Dat denk ik,’ heb ik toen gezegd, maar dat maakte het alleen maar erger, want wat als ik het nou eens mis had.”

    “Toverheksen, altijd wat,” zei ik, waarna ik ‘O wat is het donker in de bosjes (als ik maar geen toverheksen zie’) voor haar heb gezongen.

    Toen ik zo’n veertig jaar geleden zelf uit schatgraven ging, hadden we te maken met de verschrikkelijke kapitein Haak en de Bende van de Zwarte Hand. Zeerovers zijn ook niet mis en dus had ik toen we met onze schatkaart het bos in gingen, veertig stappen links, dertig stappen rechts, een geweer bij me, de oude luchtbuks van mijn vader, waarmee hij in zijn laatste zomer, onherroepelijk genezen van een hersentumor, de wasknijpers van de waslijn schoot.

  17. Het terrein van Ketjen

    Aangezien Jan van antiquariaat Egidius uit Noord komt en ik uit Noord kwam, kon hij me vertellen wat ik, toen ik vanaf de Oranjesluizen de Schellingwouderdijk opreed, zoal gemist had.

    “Beneden aan de dijk staat een rij sluiswachtershuisjes,” zei hij, en als je het pad nam tussen die huisjes en de Dijk kwam je bij een watertje, waarin een klein pontje ligt, waarmee je jezelf door middel van een touw naar de overkant kunt trekken.

    “Daar sta je op het terrein van Ketjen. Als je daar iets opraapt,” zei Jan, “is er altijd nog wel iemand die zegt dat je daar heel voorzichtig mee moet zijn. Wegens gif.”

    Er waren allerlei actiegroepen tegen Ketjen geweest en Rudi Falkenhagen was een van de voormannen. “Was dat Snuf,” zei ik, of Snuitje?” “Snuf,” zei Jan: “Mm-mooie pp-parels, ff-fijne pp-parels.”

    Op de Kring kreeg Theun de Winter een keer ruzie met Falkenhagen. “Jammer,” zei Theun toen Falkenhagen woedend weg beende, “want als acteur heb ik je hoog zitten.” In ijdelheid gestreeld, hield Falkenhagen de pas in, waarop Theun het ‘mm-mooie pp-parels, ff-fijne pp-parels’ horen liet, waarna de boot pas goed aan was.

    “Kan jij je herinneren,” zei ik ­tegen Jan, “dat Pipo ruzie kreeg met zijn schepper en het verder verdomde?” Jan kon zich dat niet herinneren. De ruzie ging over merchandising en de man die de rol van Pipo overnam, liet in interviews weten dat de vorige Pipo een waardeloze clown was en dat hij weleens zou laten zien hoe een echte clown dat aanpakte. Het werd een drama.

    Jaren later gingen mijn ouders in Lisse wonen en als je daar in het winkelcentrum de acteur in kwestie lopen zag, werd hij onveranderlijk gevolgd door een stoet kinderen die pesterig ‘Pipo, Pipo’ riepen.

  18. Van oerwoud tot bosje

    Het Leidsebosje, dat tot voor kort voor zover ik weet geen naam had, heeft nu twee namen zag ik, Leidsebosje West en Leidsebosje Oost.

    In Leidsebosje Oost ben ik nog niet geweest, maar Leidsebosje West was even schrikken. Het stukje oerwoud dat daar sinds mensenheugenis lag, is ­gekapt en tot een doorzichtig parkje omgetoverd.

    “Wel zo veilig,” zei mijn geliefde, maar dat je je vroeger in het toen nog naamloze Leidsebosje zo heerlijk onbespied kon wanen, had ook zijn voordelen, herinnerde ik mij.

    Als jongen heb ik mijn ouders vaak over het Leidsebosje gehoord. Het verhaal speelde in de eerste maanden van de bezetting. Mijn vader en moeder waren samen met Maleveld en zijn vriendin uit geweest op het Plein.

    Ik weet weinig van Maleveld maar het was een geheimzinnig iemand en als zijn naam viel, hoorde je onverwachte dingen.

    Maleveld koerste bij de amateurs, waar hij er plezier in schiep de grote Pellenaars van de weg te rijden; Maleveld was vlak na de bevrijding betrokken bij het leegroven van Canadese legerdepots; Maleveld zou een handeltje in cocaïne hebben gehad; Maleveld had een vriendin die mannenkleren droeg.

    In het Leidsebosje hadden twee Duitse soldaten een opmerking gemaakt over zijn vriendin. Waarna er een knokpartij was uitgebroken, waarbij Maleveld, straatvechter, en mijn vader, lichtgewicht, de soldaten stevig hadden afgedroogd.

    Met als resultaat dat mijn moeder zeker een halfjaar geen oog dichtdeed uit angst voor de gevolgen.

    Zoiets zou nu niet meer kunnen gebeuren. Het is keurig in het Leidsebosje West. Frisse paaltjes langs de laantjes, de tak van ’t Zagertje voor verder doorzakken behoed door een spinrag van ­kabels, het beeld van Heijermans schoongeboend en in het zicht ­gezet en het belangrijkste: geen bosje meer te bekennen.

  19. Ces beaux jours

    Toen mijn vriend Mels de Jong 60 werd, vertelde hij me dat hij zo ontzettend graag tien jaar jonger zou zijn geweest, want dan had ie tien jaar extra tijd gehad. Een raadselachtige redenering, dacht ik, terwijl ik bedacht hoe jammer ik het vond dat ik Mels niet veel eerder had ontmoet.

    Het is heel gek, maar de meeste mensen leer je kennen op precies het juiste ogenblik. Toen ik 9 was, kwam Hans Ree bij me in de klas te zitten, prima, op mijn 16de ontmoette ik Tim Krabbé, kan niet beter, en zelfs over het tijdstip waarop ik mijn geliefde leerde kennen, ben ik dik tevreden, hoewel ik het in haar geval niet erg gevonden had als het een jaartje eerder was gevallen.

    Mels was een erudiete en geestige man, aardig, maar tegelijkertijd had hij iets geheimzinnigs. Je voelde dat je hem niet helemaal kon kennen. Mels was gek op spelletjes. Hij was een goede schaker, maar in spelletjes als rikken, kingen, toepen en hoe het verder ook heten mag, was hij onverslaanbaar.

    We deelden onze liefde voor de Franse literatuur. Hij hield van ­Céline, en Flaubert vond hij zwaar overschat, maar over Modiano ­waren we het eens. Net als over A.M. de Jong, zijn oom aan wie hij een mooie biografie wijdde.

    Op 23 augustus van dit jaar ­begon ik Merijntje Gijzen te her­lezen, alle acht de delen. Op 1 september hoorde ik dat het slecht ging met Mels. Op de 19de is hij, 86 jaar oud, in Frankrijk over­leden.

    Vorige week herdachten we hem, aan de Amstel, waar iemand alles samenvatte door het zingen van het chanson van Charles Trenet: `Que reste-t-il de nos amours/ que reste t-il-de ces beaux jours/ Que reste-t-il de tout cela/ Dites le moi.¿

  20. Een neon Eiffeltoren

    In de Reguliersdwarsstraat, vlak voorbij de Schapensteeg met zijn achterkant van de Tuschinski, op nummer 125, aan de kant van de Reguliersbree, hing tot voor kort een neon Eiffeltoren aan de gevel. Het was een laatste overblijfsel van Place Pigalle, een animeerzaak ­zoals ik ontdekte toen ik er eens nietsvermoedend naar binnen liep.

    Maar er werd niet alleen ­geanimeerd, want aan de bar trof ik twee doodgewone meisjes die zodra ze hun mond opendeden uit ‘Volllendam’ bleken te komen.

    Ik kwam in die dagen voor mijn werk vrijwel dagelijks in Volendam, dus hadden we een boel te bespreken. Het meisje dat ik leuk vond, vertelde dat ze als serveerster werkte in een restaurant aan het Doolhof, vlak achter de Dijk. Waar we na haar dienst afspraken.

    Toen ze het restaurant uitkwam, bleek ze, ik kon mijn ogen niet geloven, in Volendams kostuum. Ik was op slag verliefd. Al die rokken, en het schortje en dat kapje, wie zou daar niet voor zijn gevallen?

    Vijftien jaar later ben ik nog een keer in Pigalle geweest, na een lange dag met Jan Cremer, Mick Boskamp en Kees van Beijnum. “Allemaal balletdanseressen en meiden van de Filmacademie,” zei Jan, die er verstand van heeft. Op de animerende balletdanseressen en meiden van Filmacademie na was de zaak verlaten.

    Jan bestelde Hongaars bier en poestanootjes en nadat we ons geïnstalleerd hadden, zei hij: “Jongens, nog vragen?”

    Toen de gigantische rekening kwam, dreigde er een opstootje, want Jan verdomde het te betalen. Ik verheugde me al op een vechtpartij, maar op de een of andere manier wist hij de rekening af te kopen. Weer op straat keek ik naar de Eiffeltoren die in paars neon aan en uit ging en die nu voorgoed verdwenen is.