live

Klein geluk in Amsterdam: Op weg naar het café

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. ‘Uitjes en zuur?” vroeg de haringman van Vishandel Centrum op de Haarlemmerdijk.

    “Nee, dank je,” zei ik.

    “Eén haring met niks,” zei hij.

    Ik at hem buiten op, mijn haring met niks die ook met niks uitstekend smaakte.

    Nadat ik vlaggenstokje en kartonnetje binnen in de prullenbak had gedeponeerd, wilde ik via de Korte Prinsengracht naar Tussen de Bogen. Wat nog niet zo eenvoudig bleek, maar als beloning was er het uitzicht vanaf ­Ketelmakerstraat op Westerdok.

    Eenmaal Tussen de Bogen fietste ik over dat malle snelweggetje naar nummer 91 waar ElliottHalls Gallery de foto’s van Bob Willoughby exposeert, waarover ­Peter van Brummelen in de krant zo enthousiast heeft geschreven. Hij heeft niet overdreven. Shooting Stars (nog tot 17 januari) toont stralende foto’s van Audrey Hepburn en Kim Novak, Grace Kelly, Liz Taylor, Marilyn Monroe, er is een uitbundige Louis Armstrong en eenzame Chet Baker, heel bijzonder allemaal.

    In het gesprekje met de dames van de galerie vertelde ik dat ik de foto’s waarop Elvis Presley en ­Sophia Loren elkaar het hof maken, heb uitgeknipt en ingeplakt. “Ik knip elke dag een foto uit,” zei ik.

    “Elke dag?” zei een van de dames.

    “Ja,” zei ik, “ik ben een elke-dag-man.”

    Zo had ik het eerder niet geformuleerd, maar het is wel zo. Elke dag een Klein gelukje, elke dag een aantekening in mijn dagboek, elke dag een stukje over Yves Klein, elke dag een ­foto uit de krant en in de kast nog een paar boeken vol foto’s uit de tijd dat ik elke dag een foto maakte.

    “En elken dag één glaasje,” voegde ik er in het geniep aan toe. Op weg naar het café zag ik dat er op de hoek van Prinsengracht en Lauriergracht een groentenwinkel is gekomen.

  2. De stemmen van de doden

    In mijn ervaring is het de stem die het eerste verdwijnt.

    Hoe mijn vader een sigaret opstak, weet ik nog, zoals ik ook nog weet hoe hij een handje pinda’s achterover sloeg of met een hamer een schroef de muur in joeg. “Amerikaans schroeven,” zei hij dan, maar hoe zijn stem klonk als hij ‘Amerikaans schroeven’ zei, ben ik vergeten.

    Ergens in huis bevindt zich een slordig cassettebandje waarop hij vlak voor zijn dood geïnterviewd wordt door zijn kleindochter, maar wat ik me daarvan vooral herinner, is dat het slecht verstaanbaar was.

    Als ik goed luister, hoor ik mijn moeder nog wel eens zingen, maar verder zijn de stemmen van de doden in het niets verdwenen. Mijn grootmoeder, tante Corrie, de kleine Martin, meester Wormer, Hans van Bronkhorst, mijn eerste liefde, ze laten zich niet meer horen.

    Maar soms gebeuren er vreemde dingen. Zo zat ik laatst een beetje te rommelen op YouTube toen ik na Sanny Day en de Millers om de een of andere reden Ru van Veen aanklikte. Ru van Veen was pianist bij een grapjas en ik was verliefd op zijn dochter die Hilde heette en in 1985 op veertigjarige leeftijd is overleden.

    Meer voor de grap tikte ik Hilde van Veen in en zie, het wonder ­geschiedde: er verscheen een ­opname die laat horen hoe ze ­begeleid door Addy Kleijngeld Monsieur Victor Hugo (‘que votre musée me semble beau’) van Nicole Louvier zingt. In 1960 schat ik.

    Bijna zestig jaar later hoor ik haar stem weer en voor even is ze helemaal terug, zenuwtic en al.

    “Passe le temps,” zingt Hilde als voor mij, “comme il passe vite!/ Seul notre amour est sans limite/ Et j’préfère à tous les musées/ Ton baiser? Ton baiser. Ton baiser.”

  3. Met bier en bitterbal gewapend

    In New York bijvoorbeeld, maar ook in Mumbai of ­Caïro is het de gewoonste zaak van de wereld om in een hotelbar een drankje te drinken. In Amsterdam doen wij dat niet zo, en vandaar dat wij nog nooit in het Arena Hotel waren geweest. We wisten zelfs niet waar de ingang zat.

    Die liepen we zo voorbij, waarna we terug mochten en nog even naar de tennissers op de tennisbaan in het Oosterpark konden kijken. De mannen hadden hun doordeweekse kloffie aan en speelden met ballen die zo te zien nog van voor de oorlog waren, ze droegen zelfs geen tennisschoenen, maar ze speelden goed. Totdat het begon te plenzen en ze allemaal onze kant op vluchtten.

    Wij het Arena Hotel in dus, waar we iets te vieren hadden. Met bier en bitterbal gewapend raakte ik in gesprek met een juf die onze kleindochter nog de tafel van 3 had geleerd. Een leuk gesprek, totdat ik in de gaten kreeg dat ze ­bezig was mij te strikken voor de rol van Sinterklaas. Als een haas maakte ik mij uit de voeten, want hoe oud ik ook ben, ik nog altijd bang voor Sinterklaas.

    De oude vriend die ik vervolgens sprak, zei dat hij volgende week naar Parijs ging om de rue Vaugirard af te lopen, de langste straat van Parijs. “Eten bij La Coupole,” zei hij, “en dan weer naar huis.”

    Tijdens het voortreffelijke etentje dat volgde, vertelde een ­wereldreiziger dat toen Eddy en hij eens na een dag woestijn in het enige plaatselijke restaurant te eten zaten, Eddy zich plotseling niet lekker voelde en zijn eten moest laten staan. “Are you finnish?” zei de woestijnkelner.

    “No, I’m Dutch,” had Eddy gezegd, waarna hij voorover met zijn hoofd in zijn bord viel.

  4. Had ik zo'n kameel

    Aan de kade van Azartplein waar over een minuut of tien het pontje af moest meren stond een houten bak gevuld met zand. In het zand lagen schelpen en staken stukjes glas, groen en bruin. Geen zeeglas, want dat is glad geslepen, maar stadsglas, zo van de straat, maar daarom niet minder mooi. Het pontje was inmiddels in zicht en hoe dichterbij het kwam, hoe sneller het te varen leek.

    Nadat ik me had ingescheept, had ik een kleine tien minuten om van het IJ te genieten. Water en hoge luchtige, midden in de stad, kom er eens om. “Het aardige van het ritje is,” zei iemand tegen me, “dat er aan de overkant helemaal niks is.”

    Maar dat bleek niet helemaal waar. Ik zag een bioscoop, een restaurant dat Hangar heet en zowaar zag ik ook de Goudfazant, waar ik sinds lang wel eens eet, zonder te weten waar dat restaurant zich nu precies bevindt. Dit doordat we er nooit op eigen houtje naartoe gaan, maar altijd met ­iemand meerijden, wat voor mij gelijk staat aan verdwalen.

    De Johan van Hasseltweg kwam uit op de Meeuwenlaan, en dan ben je weer thuis. Bij Huize Valentijn op nummer 27 wapperde onze fiere driekleur in een scheepsmast in de tuin. Ernaast stond een prachtige zonnewijzer.

    In het fraaie boekenkastje van de buren trof ik een exemplaar van Tartarin de Tarascon, die zoals u weet in Algerije op leeuwen jagen ging. Op de terugweg koopt hij een kameel die zich zo aan hem hecht dat hij als Tartarins schip van wal steekt in het water springt en met de boot meezwemt. Had ik zo’n ­kameel, dacht ik, de overtocht vanaf de Meeuwenlaan zou nog mooier zijn.

  5. Geheimen van het Museumplein

    "Maar u bent dus een echte ­Amsterdammer,” zei Wesley van Oger in de PC bij wie ik het pak kwam ophalen dat ik een paar maanden eerder had gewonnen in de Nationale Pakken Loterij.

    “Geboren en getogen,” zei ik.

    “Wij,” zei Wesley en hij bedoelde zichzelf en de vriendelijke jongedame die aan een tafel iets onduidelijks zat te doen, “wij zijn ook Amsterdammers, maar ik kom dus uit Almere.”

    “En ik uit Dordrecht,” vulde de jongedame aan, “maar ik ben laatst wel op het Monnikenplein geweest.”

    “Monnikenplein?” zei ik. “”Ja, of Nonnenplein, dat kan ook, maar het is er doodstil. Er was een klein kerkje als je door een deur naar buiten ging, stond je midden in de stad.”

    Begijnhof, concludeerde ik.

    Niet veel later liep ik met mijn pak in een zak door de Gabriël Metsustraat toen ik aan de gevel van het Sweelinck College voor havo en mavo gouden letters zag die de volgende zinnen schreven: ‘let-op-wat-iedereen-kan-horen-en-pas-dan-komt-het-hier-toevallig-tevoorschijn-een-nieuwe-klank.’

    Een mysterieuze zin die ik eerder nooit gezien had, zoals ik het Poëzie Museum op het Museumplein, vlak achter me, ook nog nooit gezien heb. Maar dat komt misschien doordat je het niet zien kan.

    Het is er alleen middels een app te bereiken, maar heb je die, dan zie je niet alleen het museum, maar heb je ook toegang tot versjes van o.a. Neeltje Min, Elly de Waard en Menno Wigman. Het virtuele museum is ontwikkeld door International Silence, een naam met een belofte.

    Vlak naast het gebouw met de gouden zin aan de gevel is een poortje dat toegang geeft tot het pleintje achter het Sweelinck College. Het is hier heerlijk stil. Het is na vieren. Dat de kinderen dan naar huis zijn, zal er mee te maken hebben.

  6. Koud, koud, koud

    Toen Loek Dikker, met wie ik nog op de kleuterschool heb gezeten, zijn jongere zusje Marianna en ik onlangs over de Bos en Lommerweg liepen, het was zo ter hoogte van bakker Van der Heijden, begon Loek over de rol van de kou in onze jonge jaren. “Als je ’s winters buiten was,” zei Loek, “zag je altijd blauw van de kou. Je hoort daar nooit iemand over, maar het waren verschrikkelijke winters.”

    Ik herinnerde me 1947 toen de ijspaleizen in de straten tot de ­daken reikten, maar 1956 was ook niet mis. “Het was toen zes weken achter elkaar min achtentwintig,” zei Loek, “en alles was al die tijd bevroren.”

    “Wij zijn toen met de auto naar Marken gereden,” zei ik. “Halverwege de Gouwzee stond een benzinepomp op het ijs.” “Ik had het altijd koud,” zei Loek. “Er was water op de parketvloer gekomen en die was bevroren. Wij hadden een gashaard met achttien staven. Als hij thuis kwam, ging mijn vader languit voor de kachel op de grond liggen. Zo hield hij alle warmte ­tegen. Koud, koud, koud.”

    “Jij,” mengde zijn zusje zich in het gesprek, “nam altijd de poes mee naar bed.” Normaal zei Loek zijn vader en moeder in de kamer gedag als hij ging slapen, maar als hij de poes onder zijn pyjamajasje verborgen hield, bleef hij in de deuropening staan in de ijdele hoop dat zijn moeder niet zou merken dat de poes miste.

    “En mijn broer Peter,” zei Marianna, “nam zijn kleine zusje, mij dus, mee naar bed. Tot het warm was. Dan zette hij me in het pikkedonker op de koude gang.”

    We waren als de oude eskimo die het in het ziekenhuis voor het eerst lekker warm had. Zijn leven lang had hij kou geleden.

  7. Tien wollige witte schapen

    Tien wollige witte schapen op wieltjes en in ­aflopende grootte, die op een holletje voortgetrokken worden door een meisje met een Marie Antoinettepruik op, waar zie je dat nog?

    We gingen naar de opera, naar de Barbier die we allemaal kennen van de beroemde aria zoals gezongen door Dorus (‘we gaan naar de kino/ en huren een kano/ ’k weet een café met een oude piano/ links om de hoek bij het meer van Lugano/ daar ga ik dan heen met die lieverd alleen’) of door de Parel van Volendam, waar ie in de vertaling van Jan Rot ongeveer zo gaat: ‘Wil je een harinkie/ of liever een palinkie/ harinkie palinkie/ palinkie harinkie/of liever garnalen/ uit Monnickendam’.

    Op het Rembrandtplein, zagen we, was een ijsbaantje gekomen en de kerstverlichting in de Utrechtsestraat reikte tot Oosterling. In de Amstelstraat tochtte het, zoals het altijd doet in de Amstelstraat. “Nare straat,” zei mijn geliefde.

    “Het schijnt hier vroeger heel gezellig geweest te zijn,” zei ik. Dat had ik van mijn ouders. Zelf herinnerde ik me alleen het theater waar we een keer met een hele ploeg van school naar Rooie Sien waren geweest.

    Dat was me wat, al die keurige Spinozaleerlingen bij een voorstelling van het Amsterdams Volkstoneel met de legendarische Beppie Nooy als Rooie Sien, achteraf raakten we er niet over uitgepraat. “En hier zat de Krokodil,” zei ik. “Daar kwamen alleen maar oude nichten.” Het waren wonderlijke tijden die achter ons lagen.

    Voor de ingang van de opera speelde een man op een tuba en toen tijdens de ouverture van Rossini’s Barbier van Sevilla de gordijnen opengingen, holde er een meisje voorbij dat een Marie Antoinettepruik droeg en tien wollige witte schapen in aflopende grootte op wieltjes voorttrok.

  8. Twee gekruiste handen

    Nadat ik in de binnentuin tussen Roelof Hart en Gerard Terborg drie rondjes om de zonnewijzer had gereden en zo ruim de tijd had om de nieuwe knoppen in de magnolia te bewonderen, kwam ik Anne tegen, die me vertelde over de begrafenis van een wederzijdse vriendin.

    “Martie was zo dronken,” zei ze, “dat ze van haar fiets viel.” “Zo mag ik het horen,” zei ik. Op begrafenissen kan niet genoeg gedronken worden. Over het onderwerp valt het nodige te zeggen, maar in plaats daarvan besloot ik mijn schreden naar Zorgvlied te richten.

    Het was koud in het Beatrixpark. En hoewel je de snelweg altijd hoort razen, was het stil. Het enorme hotel dat naast het park verrijst, is nog steeds niet klaar, maar tot mijn grote vreugde zag ik bij de doorgang naar station RAI twee stenen leeuwen staan, zodat mijn verzameling stenen leeuwen­paren nu vier deelnemers telt: Willem de Zwijgerlaan (bij de gerietdekte villa), Oosterdok (bij de peperbus), Amsterdam-Rijn­kanaal (tussen Nesciobrug en Oranjesluizen) en hier dus, het wordt nog eens wat.

    Op Zorgvlied waren een paar mannen aan het zagen en af en toe hipte een ekster voorbij, verder was het op dezelfde manier stil als in het Beatrixpark. Zoals meestal waande ik mij alleen.

    Nadat ik een platgereden en roestige kroonkurk op het graf van mijn dode vriendin had gelegd, bekeek ik het monumentje dat Martie gemaakt heeft voor Kitty Courbois, twee gekruiste handen, haar voornaam en de karakteristieke bloem, zoals zij die graag tekende, mooi.

    Op de terugweg verdwaalde ik, zoals ik dat op Zorgvlied vaker doe, maar toen ik de uitgang ­gevonden had, was daar als altijd de rivier.

  9. Toet toet, boing boing

    De drie Musketiers waren met zijn vieren, het gelijknamige accor­deonduo was met zijn tweeën, wat een van de kenmerken van een duo is, dat ze met zijn tweeën zijn.

    Duo’s hebben het niet makkelijk, Johnny en Rijk bijvoorbeeld lieten daarover geen twijfel. Hun show heette Een paar apart, en dat was het. Altijd heisa en heibel en om het extra ingewikkeld te maken, te veel drank.

    Niet alleen Johnny en Rijk hadden last van het duo zijn. Toen ik tijdens een bijeenkomst in kunstboekenantiquariaat Egidius na een inleidend gesprek over Snuf en Snuitje samen met Jan de duo-balans opmaakte, bleken duo’s vrijwel nooit voor het geluk geboren.

    Walden en Muijselaar (Snip en Snap) lijken de uitzondering, maar Bassie en Adriaan (‘Ik ben wel dom, maar niet slim’) konden elkaar wel vermoorden, om over Peppi en Kokki (‘Toet toet, boing boing’) maar te zwijgen. Tragisch, na een leven lang sappelen eindelijk succes en dan elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

    “Kan je je Wil van Selst herinneren?” zei ik. Dat kon Jan zich niet. Wil van Selst was de verteller van Peppi en Kokki, en dat deed hij voortreffelijk, zoals hij alles wat hij deed voortreffelijk deed.

    Of hij nou Henri Salvador speelde die bij Fred Haché L’abeille et le papillon zong (“Scheer je weg, nep-Henri Salvador”) of een boer in vers gesteven blauwe overall in Summer in the fields, een sad movie van Wim van der Linden.

    Onze dochter die van de Peppi en Kokki-generatie is, had als kind een verschrikkelijke hekel aan de twee matrozen. Dat meent ze zich ook te herinneren. Maar om haar te pesten houd ik altijd vol dat ze zich dat wegens te jong onmogelijk kan herinneren en dat ze juist hun grootste fan was.

  10. Het einde van onze jongensjaren

    De Esmoreiters stonden met zijn allen voor het Roomse blok dat daar in het begin van de ­jaren vijftig was verrezen. Daarvoor was er een landje, waar nog lang een stuk van de vleugel van een in de oorlog neergeschoten vliegtuig had gelegen.

    Maar toen de toffelemonen kwamen, moest de vleugel weg om plaats te maken voor meneer pastoor, die in een jurk gehuld de woningen afging om borreltjes te drinken en te zeggen dat er meer kindertjes moesten komen. Tenminste, dat zei mijn moeder.

    Terwijl we, gemengd als vroeger op de openbare school, nog stonden na te gniffelen, ging er een deur open. In de deuropening verscheen een dame op leeftijd die het gezelschap enige tijd opnam en toen onze namen begon op te noemen.

    Het was Mizzi van Son die hier al sinds 1950 woont. ‘Zij gaf,’ schreef Loek Dikker de volgende dag, ‘een extra dimensie aan de samenkomst en onze ronddwaling door onze oude buurt. Met haar herinneringen is er nog steeds iets van ons in de Esmoreitstraat aanwezig. En daar had ik niet op gerekend.’

    Wie er niet was tijdens onze wandeling, was Gisela. Haar vader had, in de zomer van 1954 schat ik, de Sparwinkel op het pleintje overgenomen van meneer Pas.

    Ik herinner me dat wij jongens op het pleintje onze jongensdingen ­deden, zoals voetballen, vechten en vieze praatjes verkopen, terwijl de meisjes kaatsenbalden en hinkelden, zoals meisjes, griezelige wezens waar je niks aan had, dat ­deden, toen Gisela voor het eerst naar buiten kwam.

    Een moment was het stil, daarna was het met voetballen, vechten en vieze praatjes vertellen voorgoed gedaan. ‘All the boys love ­Gisela,’ zongen we en we sprongen touwtje tot we erbij neervielen. ­Gisela was het einde van onze jongensjaren.