live

Klein geluk: Bitterballen en waterpijp

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Vroeger, dat even boeiende als ontoegankelijke gebied dat wel groter, maar vooralsnog niet kleiner wordt, hoewel er af en toe toch iets in de mist van het verleden te verdwijnen lijkt, leken alle mensen op elkaar.

    In de Esmoreitstraat, waar ik mijn jeugd doorbracht, zag iedereen er min of meer hetzelfde uit. De vader van Frits Bakker had ’s morgens vaak een rare bontmuts op en de moeder van Kees Timman droeg een jurk met stroken, bij Loekie Dikker thuis hadden ze een poes en een piano, maar iedereen praatte ongeveer op dezelfde manier en droeg ongeveer dezelfde kleren.

    In Zuid, waar ik wel kwam, zag je vrouwen in een bontjas en ze praatten er deftiger, terwijl ze in de Jan Eef juist platter praatten, maar veel verschil maakte het allemaal niet. In onze straat woonde een man die uit Egypte kwam en een fez droeg, dat was een bezienswaardigheid.

    Als je nu door de stad rijdt, zie je de straten onder je fiets verkleuren. Het wit van Oud-Zuid maakt in het Vondelpark plaats voor chic in alle kleuren. De Postjeskade is wit, maar eenmaal op de Orteliuskade gaan de remmen los en al snel kun je je in Noord-Afrika wanen.

    In de Erasmusgracht, vlak bij de Hoofdweg, drijft Florya, een restaurant met eromheen een groot terras. Omdat we dorst hadden, en trek, gingen we aan boord. Binnen stond het ouderwets blauw van de rook, want iedereen was aan de waterpijp.

    In de rookvrije ruimte bestudeerden we de kaart. Waterpijpen in alle smaken, maar alcohol was uit den boze en bitterballen werden wel verkocht, maar pas na elf uur ’s avonds. Dan maar een waterpijpje opgestoken? We verkozen een andere keer terug te ­komen.

  2. In wielerkostuum op de Van Lennepkade

    Helemaal aan het einde van de Jacob van Lennepkade stond ik naar al dat water te kijken toen er een man in wielerkleding met zijn racefiets aan zijn hand op mij toe kwam lopen. Hij had een helm op maar toch herkende ik hem, na een tijdje.

    Het was Chris die in Haarlem woont en die op de Van Lennepkade dus niets te zoeken heeft. Niet dat hij zich daar iets van aantrekt, want in Parijs ben ik in de rue des Pyrénées een keer bijna onder zijn auto gekomen, wat wel bijna zo onwaarschijnlijk is als Chris in wielerkostuum op de Van Lennepkade.

    Nadat we elkaar hadden begroet, begonnen we zoals altijd als we­ ­elkaar zien over Ricky Rockoko die in Haarlem immers zijn buurman is. Rockoko, de naam zegt het al, is een oude rocker die zoals veel oude rockers nog altijd voor zijn muziek leeft.

    ‘Yeah!’ roept hij als hij in zijn tuin op zijn denkbeel­dige gitaar een rockband begeleidt, ‘Yeah!’ en ‘Fuck!’ en ‘Yeah!’. Hij houdt niet alleen van keiharde rock-’n-roll, maar hij is ook heel aardig.

    Als hij een uurtje weg moet, zet hij om Chris te plezieren de muziek extra hard. Ik zou er niet tegen kunnen, maar Chris kan het van hem hebben.

    Een tijdje terug zat ik met Nicolaas Matsier over olifantenkledij te praten, en over heel kleine olifantjes die in hoge bomen wonen, toen we het over Rockoko kregen.

    In opperste verbazing schudde Matsier zijn hoofd om vervolgens een versregel op te diepen uit een lied waarvan hij maar een ­regel had onthouden: “Schele! Wat is je achternaam?” “Ik ken ook een regel uit dat lied,” zei ik: “Klootzak! Komt op je graf te staan!”

    Samen kwamen we een heel end.

  3. Het statige Staringplein

    ’k Moet dwalen, ’k moet dwalen, zong ik toen ik vanuit de Jan Pieter Heije de Eerste Helmersstraat inreed. Om al na een paar meter in de remmen te knijpen.

    Ik stond voor de De Savornin Lohmanschool, Christelijke school voor M.U.L.O. met Fröbelklas, een enorm gebouw, dat grenst aan de ‘Openbare school voor uitgebreid lager onderwijs der 1e kl. voor meisjes, genaamd Helmersschool’ die minstens even groot is.

    Waren er vroeger meer kinderen of waren de scholen groter? In de De Savornin Lohmanschool zit een kinderopvang en de peuters die naar buiten kwamen, leken nog kleiner dan ze toch al zijn.

    Op het statige Staringplein zit een Vegan Junk Food Bar, waaruit je kunt opmaken dat het de goede kant opgaat, of juist niet, het is maar hoe je het bekijkt. Op het plein staan drie metalen kooien die ik niet plaatsen kon, maar op het leugenaarsbankje zaten twee jongemannen die het vast wel ­wisten. Het bleek om een ondergrondse parkeergarage voor buurtgenoten te gaan.

    “Mooi plein,” zei ik. “Ja,” zei een van de mannen, “verderop is het Vondelpark, daar is het hartstikke druk, maar hier is het altijd doodstil. Op de kinderen na dan.”

    “Kinderen,” zei ik, “maken geen ­lawaai,” en dat was hij met me eens.

    Vanaf het Staringplein reed ik de Eerste Helmersstraat weer in, en hield ik in voor het prachtige portret van Willem Frederik Hermans, van de hand van Fritz Woudstra dat op 208 boven de deur hangt.

    Een eindje verderop stuitte ik op een liefdesgedicht van K. Schippers: ‘Jij hebt de dingen niet nodig om gezien te kunnen worden.’ Hij had er 45 stoeptegels voor nodig. Een eindje verderop, op de Derde Kostverlorenkade aan De Baarsjes, zag ik een bord met de tekst ‘Denk om uw boeggolf’. Doen we.

  4. Een vriend van me

    Op de woensdagse postzegelmarkt trof ik een eenzame man die vanuit een auto postzegels verkocht en munten uit een grote schaal. Daar werd ik niet vrolijk van. Bij de balie van de tanden en kiezenfirma waar ik een afspraak had, zag ik mijn kans schoon en vroeg de dame achter de balie of ze wist waarom waarzeggers je altijd voorspellen dat je een arm of been gaat breken.

    “Ik ga nooit naar waarzeggers,” zei ze. Even later lag ik in de tandartsstoel. De tandendokter ging met zo’n haak mijn kiezen en tanden af en gaf elke tand en kies in rap tempo een cijfer, meestal een 3. En terwijl hij daarmee bezig was, krabde hij achteloos zo hier en daar een flintertje plak of tandsteen weg, waar ik erg om lachen moest.

    Nadat hij me had voorgerekend hoeveel leed er voor me in het verschiet lag en hoeveel me dat ging kosten, vertelde ik hem nog even waarom ik zo-even zo moest lachen. “Een vriend van me,” zei ik, “liet zich een keer beroven.” Door twee jongens, op het Singel, bij de Lijnbaanssteeg. Het was laat in de avond toen ze hem staande hielden om hem op hun gemak zijn geld en zijn polshorloge af te pakken.

    Geen telefoon, want die waren er nog niet. Toen ze klaar waren, lieten ze hem gaan. Toen ze bij de hoek van de Oude Nieuwstraat kwamen, bleef die ene staan, draaide zich om en zei toen haast terloops: “Ach, doe dat colbertje ook maar.”

    Wat die jongens niet wisten, was dat ze Heere Heeresma hadden beroofd en, zoals bekend, een Heeresma laat niet met zich spotten. Zijn wraak zou vreselijk zijn. Weer op straat liep ik naar het hinkelbaantje op de postzegelmarkt en hinkelde een stukje.

  5. En zo kwamen we bij de dood

    Zo af en toe, meestal ’s nachts, word ik geroepen door Emily Dickinson. Ze wil dan dat ik haar gedichten lees, haar brieven, en omdat ik geen ‘nee’ tegen haar kan zeggen, doe ik dat dan ook. Gedichten en brieven leiden vaak tot secundaire literatuur waarin zich rond de kluizenaar van ­Amherst onveranderlijk de grootste drama’s afspelen.

    Mocht u geïnteresseerd zijn dan kan ik Lives Like Loaded Guns aanraden, van Lyndall Gordon, een boek als een dubbelloops jachtgeweer. In Loaded Guns kwam ik een anekdote tegen, waarin een oude vrouw Emily vertelt dat ze op zoek is naar woonruimte. “Probeer het kerkhof,” zegt Dickinson, “dan hoeft u nooit meer te verhuizen.”

    Een jaartje geleden had ik met een vriendin afgesproken op het terras van Wildschut, waar ik haar vroeg wat haar vriend eigenlijk uitgevoerd had. “Hij zat bij de gemeente,” zei ze, “bij stoplichten.” “Dan moet het Roelof Hartplein een plein naar zijn hart zijn geweest,” zei ik.

    We keken naar het tramverkeer dat op dat moment nog ongeschonden was, maar we wisten het allebei, het kon niet ­duren. En zo kwamen we bij de dood en vertelde ik de anekdote over Emily Dickinson.

    “Toen mijn vader dood was,” zei zij, “kreeg ik nog heel lang post voor hem. Toen ik daarover belde, vroeg die vrouw of ik misschien een ander adres had.” ‘Probeert u Oud Eik en Duinen eens,’ had ze toen gezegd, graf 8023, waarna de vrouw aan de andere kant had ­opgehangen.

    Nadat haar moeder was overleden, had ze tussen haar spullen het sleuteltje van een bankkluis gevonden. Na veel vijven en zessen was het eindelijk zo ver, het spannende ogenblik dat ze met het sleuteltje het kluisje kon openen, dat leeg bleek te zijn.

  6. Inkepinkje, pijpetuitje

    In de tijd dat ik als rondvaartgids bij rederij Kooij werkte, leefde de Oude Kooij nog. ­Inmiddels is de Jonge Kooij ook overleden.

    Ik herinner me de Oude Kooij vooral doordat hij in dat kleine huisje dat als kantoor en kantine diende, en zo op het oog nog altijd dient, regelmatig een dreunend ‘Ja! Ja! Ja! IJs met chocola!’ liet horen. Wat hij verder uitvoerde, weet ik eigenlijk niet.

    In het huisje praatte ik vaak met een jongen die wel zo’n rondvaart kapiteinspak droeg, maar het niet was, kapitein meen ik. Hij zwabberde dekken en hielp als de tros werd los gesmeten en als de schuit weer aanmeerde.

    Op een dag haalde hij een ballpoint tevoorschijn en schreef daarmee op een velletje papier een aantal woorden onder elkaar die hij mij vroeg voor te lezen. Zeven woorden waren het, waarvan ik de eerste vijf niet alleen vergeten ben, maar ook ontzettend graag weer zou willen weten.

    De laatste twee woorden die ik mij vijftig jaar geleden tot mijn opperste verbazing hoorde uitspreken, waren ‘inkepinkje, pijpetuitje’. ­‘Inkepinkje, pijpetuitje’, wat, in hemelsnaam, voor woorden waren dat?

    Eddy, bij wie ik toevallig op bezoek was, wist de ontbrekende woorden ook niet. Wel was hij voor Arti et Amicitiae aangesproken door twee Duitse vrouwen, zusters zo te zien, die een rondvaart wilden maken.

    Hij had ze Kooij gewezen, maar nee, nee, nee, ze wilden naar een plaats waar ze rondvaartkeus hadden. Dus had hij ze in zijn beste Duits langs Dam en Beurs naar het Centraal Station gedirigeerd.

    Toen ze wegliepen en nog even omkeken, had hij gewezen en “Do! Do ist der Bahnhof” geroepen. ­Eddy zat nog na te grinniken. “Heerlijk om die zin een keer in het echt te kunnen gebruiken,” ­zei hij.

  7. Het was een doodgewone doordeweekse dinsdagmiddag met een bleek winters zonnetje, maar toen ik op de Zwanenburgwal kwam, bleek het hele Waterlooplein verdwenen.

    Ik was door de Staalstraat gegaan, waar op het opklapbruggetje met uitzicht op de Zuiderkerk een Pakistaan op een gitaar flamingomuziek zat te spelen. Dat had ik al enigszins verwarrend gevonden, maar een ­geheel gesloten Waterlooplein? Geen houten tulp te koop, zelfs geen stroopwafel. Wonderlijk, wonderlijk, wonderlijk.

    Wegens lekkere trek streek ik neer bij de Tokoman voor zo’n onovertroffen broodje heet rundvlees. Buiten was het gaan regenen, maar toen ik mijn broodje ophad, was het weer droog.

    Langzaam reed ik langs de Amstel, brug op, brug af, langs de Hermitage en de Nieuwe Keizersgracht, waar het heel druk was bij de Schaduwkademonumentjes ter nagedachtenis van de vermoorde bewoners, om me ter hoogte van Carré voor de zoveelste maal af te vragen of ik er ooit nog in zou slagen over het hek en op de sluis te komen; kleine mensen hebben kleine wensen.

    Toen ik bij Eddy aanbelde, werd ik opengedaan door Henriette, die zei dat ze samen met Zwaan de hond van Tess ging uitlaten. Hoe de hond heet, weet ik niet. “We hebben nog een cadeautje voor je staan,” zei ze.

    Ze hadden het gekocht in het Noord-Franse Rethel, een stadje waar de dichter Paul Verlaine heeft gewoond en les heeft gegeven aan het Collège Notre Dame en waar hij ook weleens schandaleus heeft rondgehangen met Arthur Rimbaud, zijn minnaar.

    Het cadeau bleek een potje terrine de Rimbaud, te vertalen als Rimbaud tot paté gedraaid, houdbaar tot december 2020, met portret. “We hebben alleen Rimbaud,” had de kassière van de plaatselijke supermarkt gezegd toen ze afrekenden.

    “Verlaine is op.”

  8. De werking van de zee

    Aan zee zoeken wij zeeglas, en niet zonder ­resultaat. In de afgelopen winters konden wij enkele honderden stukken aan onze verzameling toevoegen, allemaal gladgeslepen, met cijfers en letters, randjes, breuken, ribbels, in alle tinten groen en wit en bruin en zelfs een stukje hemelsblauw.

    De verzameling die eerst op de taartschaal lag uitgespreid, vult inmiddels een enorme slabak. Het is dus maar goed dat we niet veertig jaar eerder met sparen zijn begonnen, want dan konden we ons huis niet in.

    Door die glaszoekerij krijg je ook oog voor andere zaken die op het strand liggen, schelpen bijvoorbeeld. Een schelp was in mijn ­optiek iets dat door je partner werd opgeraapt, die dan ‘kijk, wat mooi’, zei, wat jij beaamde, waarna ze hem aan jou gaf en jij de schelp over je schouder terug op het strand gooide.

    Inmiddels zien we dat anders. We overwegen zelfs een boekje aan te schaffen, iets in de trant van Zelf schelpen zoeken of Schelpen van het Noordzeestrand, het kastje met laatjes komt daarna vanzelf.

    Ook hebben we een keer een stukje barnsteen gevonden en, ­vorige week, een stuk hout, dat wel degelijk het fijngesneden gezicht van een chimpansee uitbeeldde. “Wat denk je,” zei mijn geliefde, “is dit door mensenhanden gemaakt?”

    “Nee, nee,” doceerde ik, “dat is de werking van de zee. Als er maar lang genoeg hout in de zee ligt, wordt op een gegeven ogenblik zo’n aap gevormd. En als je die aap dan een miljoen jaar op een schrijfmachine laat tikken, zal hij op een gegeven ogenblik de Hamlet schrijven. Dat heet evolutie.”

  9. De wijde wereld in

    De baby die twee weken geleden nog twee ­ondertanden had, kon inmiddels staan en had er een boventand bij gekregen. Nog even en Charlie trok de wijde wereld in en wat je dan zoal beleefde, daarover praatten wij. Hoe kwam je als negenjarige aan snoep of geld voor snoep bijvoorbeeld.

    Mijn geliefde deed aan dubbeltjes zoeken en voor de snoepwinkel had ze een speciale techniek ontwikkeld, waarbij ze in de winkel iets omstootte, waarna de begeerde snoepjes, o wonder, precies in haar tas belandden. Weer buiten zong ze ‘lieve heer/ dit was de laatste keer’, een laatste keer die duurde tot de volgende keer.

    Charlies moeder en haar vriendinnetje deden het anders. Er bestonden toen nog telefooncellen en zij hadden een verhaal verzonnen dat eindigde met de woorden: ‘Heeft u een kwartje voor ons, dan kan ik mijn moeder bellen.’ De vrouwen die ze aanspraken, zeiden vaak vriendelijk dat de meisjes even binnen konden komen, dan konden ze daar bellen.

    Wat niet de bedoeling was natuurlijk. In haar boek over Jaap en Ischa Meijer vertelt Evelien Gans hoe Ischa Meijer en Nicky Roeg het aanpakten. Ischa had bedacht dat ze in een portiek naast de snoepwinkel in de Rijnstraat de naambordjes bekeken en dan gingen ze de winkel binnen en zeiden: “Van mijn oma hiernaast (en dan noemde ze de naam van de buurvrouw) mogen we snoep kopen en zij komt straks betalen.”

    Ingenieus. Tot het een keer misging en de eigenaar van de winkel met de politie dreigde, waarop Ischa zo dramatisch begon te huilen dat de winkelier de twee onverlaten ­lopen liet. “Hij was helemaal over zijn toeren,” zei Roeg later. “Maar daarna was het meteen over. Dus misschien was het wel gespeeld.” Merijntje Gijzen en zijn broer pikten ‘mipsels’ uit de boomgaard van meneer pastoor.

  10. Daar had je hem al

    Overhemden waste mijn moeder in een teiltje, waarna ze de boel te drogen hing aan het wasrek op ons achterbalkon dat uitkeek op de binnentuin. Terwijl ze de was ophing, praatte ze vaak met Lena die recht aan de overkant van de binnentuin woonde. Als Lena en mijn moeder elkaar op straat tegenkwamen, groetten ze elkaar, maar praatten ze niet.

    Als de overhemden droog waren, streek mijn moeder ze, waarbij ze uit een kommetje voortdurend water over de hemden sprenkelde en voor de mouwen een mouwenplankje gebruikte.

    De lakens brachten we naar de wasserij op de hoek van de Elisabeth Wolffstraat. Jan Mens had een boek over Betje Wolff geschreven en daar vertelde mijn moeder weleens uit.

    Als we de Wiegbrug naderden, werd mijn moeder een beetje nerveus. “Zal je zien dat hij er weer staat,” zei ze tegen me, en ja hoor, daar had je hem al, de benenkijker. Met een been op de stoep zat hij voor het café op de hoek op zijn fiets.

    Zodra hij mijn moeder in de gaten kreeg, begon hij te trappen en ver voor de Agatha Deken al reed hij naast ons, of liever iets voor ons, en keek schuins naar achteren naar mijn moeders fietsende benen. “Ga weg smeerlap,” siste mijn moeder terwijl ze steeds harder trapte. “Ga weg of ik ga naar de politie.”

    Maar hij bleef naast ons fietsen tot mijn moeder op de hoek van de Elisabeth Wolffstraat afstapte bij de wasserij. Tot voor kort was de wasserij er nog. Nu zit er een kippenrestaurant, net als aan de overkant van de straat, waar vroeger het jiddische cabaret LiLaLo van Jossy en Jacques Halland was gevestigd. Waar ik tot mijn spijt nooit geweest ben.