live

Klein geluk: Het was in een steegje

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Het was in een steegje

    Op de tweemaandelijkse bijeenkomst van het jongemannengenootschap waarvan ik sinds vijftig jaar deel uitmaak, was er groot nieuws. Ter gelegenheid van ons elfde lustrum hadden we een boek gemaakt en van dat boek was een exemplaar verkocht. Voor geld. Officieel. Via uitgever en Centraal Boekhuis. Bert had de bewijzen.

    Zoals altijd zaten we aan de grote tafel van Kapitein Zeppos in Het gebed zonder end. Er was bier en wijn en zelfs een bitterbal. Frits en ik hadden het over Carmiggelts ­legendarische Erepoort toen Theo een vraag stelde over Yoka Berretty, wat voor Bert aanleiding was te vertellen dat toen zijn zoon op ­dezelfde school zat als de zoon van Yoka, zij hem vaak kwam halen, maar op rolschaatsen. “Ze zal toen een jaar of vijftig zijn geweest,” zei Bert, “heel bijzonder.”

    Aan de andere kant van de tafel ging het inmiddels over onze sportcarrières. Jan bleek nog bij de Volewijckers te hebben gespeeld. De trainer had hem twee raadgevingen meegegeven: ‘Een: nooit gaan roken en twee: altijd opeten wat je moeder je voorzet.’

    Weer op straat bleek Theo niet op de fiets maar met de metro. “Hoe is het daar beneden?” zei ik. “Zeg ik niet,” zei Theo. “Ik ben geen verklikker.”

    Boven de stad hing een halfvolle maan die in de Leidsestraat ineens in een volle maan was veranderd. Het bleek het verlichte ronde raam in het torentje van Metz. De letters die het woord METZ vormen, staan er nog, zag ik.

    Voor de etalage van Iris & Schrieck in de Nieuwe Spiegelstraat werd ik aangesproken door twee vrouwen die het café zochten waar ze ’s middags zo genoeglijk hadden gezeten; het was in een steegje. Ik wist waar het was, maar leg het maar eens uit.

    Iris & Schrieck is inmiddels opgeheven.

  2. Op de kaart van mijn geheugen

    Omdat ons kleinkind zwemmen leerde, namen wij op woensdagmiddag de 7 naar het Sloterparkbad. Fijne tram, de 7, vooral op het moment dat hij zich op het Bos en Lommerplein los-maakt van de stad en de tuinsteden binnendavert.

    Op de kaart van mijn geheugen rijdt hier een piepklein locomotiefje met een lange sliert lorries erachter aan. Dat treintje was er om materiaal voor de nieuwbouw aan te voeren, en om ons jongens naar het avontuur te brengen natuurlijk.

    We trotseerden het drijfzand, ontsnapten aan de herdershonden van de wachten die de bouw bewaakten, we zagen de bliksem inslaan. Op een dag werd er zelfs een baby gevonden die in een buis te huilen lag. De jongen die haar mee naar huis genomen had, mocht haar houden, lazen we later in de krant.

    Ik herinner me dat de Sloterplas op sommige plaatsen veertig meter diep was en dat je als je als zwemmer in zo’n zwart gat gevangen werd, reddeloos verloren was. Daarom werd er een zwembad aangelegd, met eilandjes waar mannen en vrouwen zomaar in hun blote kont liepen.

    Dat was in 1957. Ik was toen 13, een leeftijd, waarop je zoiets van dichterbij bekijken wilt. Laat ik zeggen, het viel tegen, meer zeg ik niet.

    Later kwam er het overdekte bad, waar wij nu elke week uitstapten. Het Sloterparkbad is als alle overdekte zwembaden, ­lawaaiig en doordrenkt van chloor, maar het heeft iets wat andere zwembaden niet hebben. Aan een van de baden staat een oogverblindend witte en wonderschone betonnen duiktoren, met duikplanken op 3,50, 5, 7,50 en 10 meter hoogte. Ik had nog nooit zoiets gezien.

    Iedere week ging ik kijken of er misschien iemand gek genoeg was om erop te klimmen en ervan af te springen. Nee dus, maar de toren is een bezienswaardigheid.

  3. Ze zaten er nog wel

    Grafiek is bedrukt papier en het bedrukt papier waarmee je betaalt maar zelden waard. Toch hadden we een zeefdruk van Gerrit Benner gekocht, Benners luchten en landschappen zijn nu eenmaal onweerstaanbaar.

    De zeefdruk was niet gedateerd, zo te zien gemaakt naar een schilderij uit 1970, 1971. Hij kwam uit een map grafiek, waaraan Lucassen, Constant, Brusse, Willink, De Jong, Verwey, Citroen hadden bijgedragen, niet de minsten, maar over de map was nergens iets te vinden.

    We stonden de Benner te bekijken toen een andere bezoeker van de winkel waar een en ander plaats greep zich ermee bemoeide. Ja, hij had de Benner ook. Hing al vijfenendertig jaar op een mooi plekje en verveelde nooit.

    Hij had trouwens de hele map, in 1980 gekocht, maar het boek dat de twintig kunstenaars zou begeleiden, was nooit verschenen. Toen we aan de praat raakten, bleek ik in gesprek met Pim Elfferich, de ­Paroolmedewerker die in 1976 de fameuze Kronkel-wedstrijd ­bedacht.

    Kees van Kooten, Rinus Ferdinandusse, Nico Scheepmaker, Henk Spaan, Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt zelf schreven een Kronkel en de lezers moesten raden welke Kronkel de echte Kronkel was. Duizenden inzendingen. De Kronkel van Carmiggelt eindigde op voorlaatste plaats als ik me goed herinner.

    Toen alles achter de rug was, gingen de deelnemers eten bij Les Quatre Canetons, Prinsengracht 1111. “Carmiggelt en Renate Rubinstein zaten naast elkaar,” herinnert Elfferich zich, “en na tien minuten al waren ze vertrokken. Ze zaten er nog wel, maar ze zagen alleen elkaar nog.”

    Het begin van een grote liefde.

  4. Nee, beste Guus

    U wist het nog niet, maar Klein Geluk is per 1 maart opgeheven. Zoals u zult begrijpen, stemt mij dit droevig. Met oneindig veel plezier heb ik door de stad gezworven in een poging niet alleen de stad en zijn bewoners in woorden te vangen, maar ook op zoek naar klein geluk, dat zo bleek, zich overal vinden liet. Langs de grachten en in kaaswinkels en antiquariaten, in de tram en aan de haringkar niet te vergeten.

    Wat ik ook zal missen, zijn uw brieven die in een niet aflatende stroom binnenkwamen en af en toe, zoals na mijn stukje over inkepinkjes en pijpetuitjes van vorige week, hele brievenbussen vulden.

    Soms ging het om correcties, nee, beste Guus, Lilalo zat niet op de hoek van de Elisabeth Wolff maar op de hoek van de Agatha Deken, waar je de door Jacques Halland van Lilalo beschilderde bakstenen nog kunt zien zitten.

    Vaak kwamen er ook goede verhalen. Nadat ik, echt waar, schreef over ‘een man in een directoire’ liet een oude zeerob die nog op het ms Dido had gevaren mij weten, dat de marconist als hij de naam van de schuit moest spellen, altijd ‘Directoire, interlock, directoire, onderbroek’ zei. Waarvan akte.

    Toen ik gisteren langs het ­Amsterdams Lyceum fietste, hoorde ik daar het heldere klingelen van de schoolbel, nooit eerder gehoord. Een eindje verderop scherpte een klein poesje zijn nagels aan een grote boom en aan het einde van de middag, in de Mensenvriend op het Cornelis Troostpleintje, vroeg mijn geliefde aan een Marokkaanse jongen die vakken stond te vullen, waar ze harissa vinden kon. “Heeft u misschien een foto?” zei hij.

    Wat de drie dingen met elkaar te maken hebben, weet ik niet. Maar dat komt wel, dacht ik tot voor kort.

  5. Roy vond het prachtig

    Te interviewen schrijvers verbleven in het ­Ambassade hotel op de Herengracht. Je nam plaats in de lobby en na een tijdje kwam zo’n schrijver dan naar ­beneden en voerde ik hem mee, naar de Pels of naar ’t Molentje aan het Singel, een enkele keer naar een restaurant. De meeste van die schrijvers ben ik vergeten.

    Een uitzondering was James ­Ellroy. Daar moest je voor uitkijken, was me verteld, want als je iets zei dat hem niet beviel, was het matten. Maar nadat ik hem ­geprezen had als ‘de Balzac van onze tijd’ was hij als was.

    Ook leuk was Jeffrey Eugenides met wie we de vertaling van The Virgin Suicides uitbundig gevierd hebben, maar het leukste was toch Suzanna Arundhati Roy, de schrijver van De God van kleine dingen. Ik vroeg haar of ze zin had me te vergezellen naar een expositie in de Universiteitsbibliotheek. Dat wou ze wel.

    Het was een expositie van handschriften van P.C.Hooft. En geloof me, iemand hoeft geen Nederlands te kennen of van Hooft gehoord te hebben om die prachtig te vinden, want dat zijn ze, stralend. Roy vond het prachtig, waarop ik haar, enigszins overmoedig geworden door het succes, meevoerde naar het achterzaaltje van het inmiddels al lang opgeheven ­Vispaleis van Jan in de Oude Doelenstraat.

    Roy at twee haringen met uitjes en zuur, dronk twee glazen witte wijn en vertelde over haar huis in de jungle van India. “En als ik zeg ‘jungle’,” zei ze, “dan bedoel ik ook jungle, de tijgers ­lopen door de achtertuin.”

    Toen ik wilde weten waar ze woonde, tekende ze de plattegrond van India en zette midden op de kaart een stip. “Hier,” zei ze. Het hart van Amsterdam was voor een ogenblik het hart van ­India geworden.

  6. Bitterballen en waterpijp

    Vroeger, dat even boeiende als ontoegankelijke gebied dat wel groter, maar vooralsnog niet kleiner wordt, hoewel er af en toe toch iets in de mist van het verleden te verdwijnen lijkt, leken alle mensen op elkaar.

    In de Esmoreitstraat, waar ik mijn jeugd doorbracht, zag iedereen er min of meer hetzelfde uit. De vader van Frits Bakker had ’s morgens vaak een rare bontmuts op en de moeder van Kees Timman droeg een jurk met stroken, bij Loekie Dikker thuis hadden ze een poes en een piano, maar iedereen praatte ongeveer op dezelfde manier en droeg ongeveer dezelfde kleren.

    In Zuid, waar ik wel kwam, zag je vrouwen in een bontjas en ze praatten er deftiger, terwijl ze in de Jan Eef juist platter praatten, maar veel verschil maakte het allemaal niet. In onze straat woonde een man die uit Egypte kwam en een fez droeg, dat was een bezienswaardigheid.

    Als je nu door de stad rijdt, zie je de straten onder je fiets verkleuren. Het wit van Oud-Zuid maakt in het Vondelpark plaats voor chic in alle kleuren. De Postjeskade is wit, maar eenmaal op de Orteliuskade gaan de remmen los en al snel kun je je in Noord-Afrika wanen.

    In de Erasmusgracht, vlak bij de Hoofdweg, drijft Florya, een restaurant met eromheen een groot terras. Omdat we dorst hadden, en trek, gingen we aan boord. Binnen stond het ouderwets blauw van de rook, want iedereen was aan de waterpijp.

    In de rookvrije ruimte bestudeerden we de kaart. Waterpijpen in alle smaken, maar alcohol was uit den boze en bitterballen werden wel verkocht, maar pas na elf uur ’s avonds. Dan maar een waterpijpje opgestoken? We verkozen een andere keer terug te ­komen.

  7. In wielerkostuum op de Van Lennepkade

    Helemaal aan het einde van de Jacob van Lennepkade stond ik naar al dat water te kijken toen er een man in wielerkleding met zijn racefiets aan zijn hand op mij toe kwam lopen. Hij had een helm op maar toch herkende ik hem, na een tijdje.

    Het was Chris die in Haarlem woont en die op de Van Lennepkade dus niets te zoeken heeft. Niet dat hij zich daar iets van aantrekt, want in Parijs ben ik in de rue des Pyrénées een keer bijna onder zijn auto gekomen, wat wel bijna zo onwaarschijnlijk is als Chris in wielerkostuum op de Van Lennepkade.

    Nadat we elkaar hadden begroet, begonnen we zoals altijd als we­ ­elkaar zien over Ricky Rockoko die in Haarlem immers zijn buurman is. Rockoko, de naam zegt het al, is een oude rocker die zoals veel oude rockers nog altijd voor zijn muziek leeft.

    ‘Yeah!’ roept hij als hij in zijn tuin op zijn denkbeel­dige gitaar een rockband begeleidt, ‘Yeah!’ en ‘Fuck!’ en ‘Yeah!’. Hij houdt niet alleen van keiharde rock-’n-roll, maar hij is ook heel aardig.

    Als hij een uurtje weg moet, zet hij om Chris te plezieren de muziek extra hard. Ik zou er niet tegen kunnen, maar Chris kan het van hem hebben.

    Een tijdje terug zat ik met Nicolaas Matsier over olifantenkledij te praten, en over heel kleine olifantjes die in hoge bomen wonen, toen we het over Rockoko kregen.

    In opperste verbazing schudde Matsier zijn hoofd om vervolgens een versregel op te diepen uit een lied waarvan hij maar een ­regel had onthouden: “Schele! Wat is je achternaam?” “Ik ken ook een regel uit dat lied,” zei ik: “Klootzak! Komt op je graf te staan!”

    Samen kwamen we een heel end.

  8. Het statige Staringplein

    ’k Moet dwalen, ’k moet dwalen, zong ik toen ik vanuit de Jan Pieter Heije de Eerste Helmersstraat inreed. Om al na een paar meter in de remmen te knijpen.

    Ik stond voor de De Savornin Lohmanschool, Christelijke school voor M.U.L.O. met Fröbelklas, een enorm gebouw, dat grenst aan de ‘Openbare school voor uitgebreid lager onderwijs der 1e kl. voor meisjes, genaamd Helmersschool’ die minstens even groot is.

    Waren er vroeger meer kinderen of waren de scholen groter? In de De Savornin Lohmanschool zit een kinderopvang en de peuters die naar buiten kwamen, leken nog kleiner dan ze toch al zijn.

    Op het statige Staringplein zit een Vegan Junk Food Bar, waaruit je kunt opmaken dat het de goede kant opgaat, of juist niet, het is maar hoe je het bekijkt. Op het plein staan drie metalen kooien die ik niet plaatsen kon, maar op het leugenaarsbankje zaten twee jongemannen die het vast wel ­wisten. Het bleek om een ondergrondse parkeergarage voor buurtgenoten te gaan.

    “Mooi plein,” zei ik. “Ja,” zei een van de mannen, “verderop is het Vondelpark, daar is het hartstikke druk, maar hier is het altijd doodstil. Op de kinderen na dan.”

    “Kinderen,” zei ik, “maken geen ­lawaai,” en dat was hij met me eens.

    Vanaf het Staringplein reed ik de Eerste Helmersstraat weer in, en hield ik in voor het prachtige portret van Willem Frederik Hermans, van de hand van Fritz Woudstra dat op 208 boven de deur hangt.

    Een eindje verderop stuitte ik op een liefdesgedicht van K. Schippers: ‘Jij hebt de dingen niet nodig om gezien te kunnen worden.’ Hij had er 45 stoeptegels voor nodig. Een eindje verderop, op de Derde Kostverlorenkade aan De Baarsjes, zag ik een bord met de tekst ‘Denk om uw boeggolf’. Doen we.

  9. Een vriend van me

    Op de woensdagse postzegelmarkt trof ik een eenzame man die vanuit een auto postzegels verkocht en munten uit een grote schaal. Daar werd ik niet vrolijk van. Bij de balie van de tanden en kiezenfirma waar ik een afspraak had, zag ik mijn kans schoon en vroeg de dame achter de balie of ze wist waarom waarzeggers je altijd voorspellen dat je een arm of been gaat breken.

    “Ik ga nooit naar waarzeggers,” zei ze. Even later lag ik in de tandartsstoel. De tandendokter ging met zo’n haak mijn kiezen en tanden af en gaf elke tand en kies in rap tempo een cijfer, meestal een 3. En terwijl hij daarmee bezig was, krabde hij achteloos zo hier en daar een flintertje plak of tandsteen weg, waar ik erg om lachen moest.

    Nadat hij me had voorgerekend hoeveel leed er voor me in het verschiet lag en hoeveel me dat ging kosten, vertelde ik hem nog even waarom ik zo-even zo moest lachen. “Een vriend van me,” zei ik, “liet zich een keer beroven.” Door twee jongens, op het Singel, bij de Lijnbaanssteeg. Het was laat in de avond toen ze hem staande hielden om hem op hun gemak zijn geld en zijn polshorloge af te pakken.

    Geen telefoon, want die waren er nog niet. Toen ze klaar waren, lieten ze hem gaan. Toen ze bij de hoek van de Oude Nieuwstraat kwamen, bleef die ene staan, draaide zich om en zei toen haast terloops: “Ach, doe dat colbertje ook maar.”

    Wat die jongens niet wisten, was dat ze Heere Heeresma hadden beroofd en, zoals bekend, een Heeresma laat niet met zich spotten. Zijn wraak zou vreselijk zijn. Weer op straat liep ik naar het hinkelbaantje op de postzegelmarkt en hinkelde een stukje.

  10. En zo kwamen we bij de dood

    Zo af en toe, meestal ’s nachts, word ik geroepen door Emily Dickinson. Ze wil dan dat ik haar gedichten lees, haar brieven, en omdat ik geen ‘nee’ tegen haar kan zeggen, doe ik dat dan ook. Gedichten en brieven leiden vaak tot secundaire literatuur waarin zich rond de kluizenaar van ­Amherst onveranderlijk de grootste drama’s afspelen.

    Mocht u geïnteresseerd zijn dan kan ik Lives Like Loaded Guns aanraden, van Lyndall Gordon, een boek als een dubbelloops jachtgeweer. In Loaded Guns kwam ik een anekdote tegen, waarin een oude vrouw Emily vertelt dat ze op zoek is naar woonruimte. “Probeer het kerkhof,” zegt Dickinson, “dan hoeft u nooit meer te verhuizen.”

    Een jaartje geleden had ik met een vriendin afgesproken op het terras van Wildschut, waar ik haar vroeg wat haar vriend eigenlijk uitgevoerd had. “Hij zat bij de gemeente,” zei ze, “bij stoplichten.” “Dan moet het Roelof Hartplein een plein naar zijn hart zijn geweest,” zei ik.

    We keken naar het tramverkeer dat op dat moment nog ongeschonden was, maar we wisten het allebei, het kon niet ­duren. En zo kwamen we bij de dood en vertelde ik de anekdote over Emily Dickinson.

    “Toen mijn vader dood was,” zei zij, “kreeg ik nog heel lang post voor hem. Toen ik daarover belde, vroeg die vrouw of ik misschien een ander adres had.” ‘Probeert u Oud Eik en Duinen eens,’ had ze toen gezegd, graf 8023, waarna de vrouw aan de andere kant had ­opgehangen.

    Nadat haar moeder was overleden, had ze tussen haar spullen het sleuteltje van een bankkluis gevonden. Na veel vijven en zessen was het eindelijk zo ver, het spannende ogenblik dat ze met het sleuteltje het kluisje kon openen, dat leeg bleek te zijn.