Opinie Bewaar

Ik lijk niet op mijn moeder

Roos Schlikker
Roos Schlikker © Oof Verschuren

Ik lijk niet op mijn moeder. Ik lijk niet op mijn moeder. Het meisje met de donkere vlechten heeft het eindeloos herhaald.

Zij zou het nooit zijn. Dat rebbelende mens, schommelend van overgewicht, dat stiekem chocolaatjes naar binnen schrokte zodat de kinderen er niet aan zouden komen. De domineesvrouw die in het Friese gehucht bekijks trok omdat ze anders was.

Dronken de boeren­gezinnen zwijgend koffie aan sobere houten keuken­tafels, vertrok zij naar Groningen om zichzelf bij een chic modehuis te fêteren op slagroomsoezen, want dat was tenminste sjeuïg.

Liever was ze als haar oma Emma naar wie ze was vernoemd. Een dame die een stabiele natuur combineerde met een zonnig karakter. Ze neuriede bij alles wat ze deed. Was vouwen. Neurie. Maaltje maken. Neurie. Kleindochter ontvangen. Neurie. "Dag Emmeke van me."

Op haar zou ze lijken. Niet op die vrouw die soms hysterisch het huis overhoop trok, dan weer weigerde haar bed uit te komen, te uitgeput voor het leven. Het meisje hoorde het gekrijs als de stoppen doorsloegen. Ze kroop de zolder op en maakte zich zo klein mogelijk. Dit was zij niet.

Ik lijk niet op mijn moeder. Ik lijk niet op mijn moeder. Het kind met het blonde springhaar heeft het tegen zichzelf gezegd. Want zinnetjes herhalen zich. En de geschiedenis ook.

Hoe hard het meisje met de donkere vlechten ook had geroepen dat ze niet op haar mem leek, toch kende ze haar duister

Haar moeder die niet werkte, maar eindeloos tobde over kleine zaken. Haar moeder die als vriendinnen van het meisje kwamen eten, een door de magnetron opgewarmde prak zompige aardappelen serveerde. Haar moeder die zich opsloot in haar slaap­kamer en weigerde er vandaan te komen.

"Waar is je moeder?" "O. Kweetniet." "Vind je dat niet gek?" "Neuh." Schaamte. Mantel der liefde. Het springhaarkind begreep zelf niet waarom ze krampachtig deed of alles normaal was. Maar ze wist wel: dit ben ik niet. Ik maak later carrière. Ik kook. Ik was. Ik ben er. Altijd.

Het blonde grietje werd een vrouw. Een vrouw die geen moeder meer had die haar liefdevol heel vieze aardappelen voorschotelde. Ze miste haar zo, dat ze haar ging zoeken in vroeger. Ze reed naar Friesland en staarde naar het groen dat zich als een oud tapijt om haar uitvouwde. Een kerk. Zo nu en dan een straat. De Swachlumerleane. De Wyniastrjitte. Prachtig. Maar geen wonder dat haar oma er soms uit moest. Op zoek naar meer. Taartjes in een chic modehuis bijvoorbeeld.

En hoe hard het meisje met de donkere vlechten ook had geroepen dat ze niet op haar mem leek, toch kende ze haar duister. En gebruikte ze vaak exact haar woorden als ze moest uitbreken, uit alles wat haar benauwde. "Het leven moet sjeuïg zijn."

De blonde vrouw liep door een dorp dat ze nooit eerder bezocht en zag sporen die ze niet kende, maar waar haar voeten precies in pasten. Ze belde aan bij Pietsje, het schoolvriendinnetje van het meisje met de vlechten. Op de drempel staarde Pietsjes broer haar aan. "Ach. Wat lijk jij op Emmeke."

Het was het mooiste wat ze die dag zou horen.

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken. Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.