Opinie Bewaar

Ik ben een koter in een grotemensenhuis, denk ik somber

Roos Schlikker
Roos Schlikker © Linda Stulic

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Ik betaal belastingen, draag een autogordel en besluit na twee wodka een taxi te nemen in plaats van mezelf tegen een lantaarnpaal te chaufferen. Ik eet volgens de Schijf van Vijf, inclusief menstruaties van de kip en lees kranten.

Ik voed mijn kinderen op tot wezens die dankjewel-alsjeblieft zeggen en daarnaast soms hun waffel kunnen houden zodat ze niet keihard midden in de supermarkt blèren dat die ene meneer daar, díe met dat grijze T-shirt en dat pak vla in zijn hand, kijk nou, díehíe, echt superduperdik is (oké, dat laatste mislukt weleens).

Ik laat zelden boeren of winden in het openbaar (alleen stille en dat zijn stiekem de ergste), ik houd me in zodat ik tijdens een tv-discussie over Donald Trump niet giechelend herhaal wat een Engelstalige vriendin laatst bromde ("He's such a carrot").

Kortom: ik weet me over het algemeen aardig te gedragen. Maar er is één aspect waarin ik als volwassene volledig faal: de inrichting van mijn huis.

Afgelopen week gaf Marlies Dekkers in een tv-­programma een rondleiding door haar woning. Het was prachtig, ze had zelfs een zwartglanzende kroonluchter in haar gym gehangen zodat ze tijdens de buikspieroefeningen iets esthetisch had om naar te kijken.

Ze gaf vier tips. 1. Houd rekening met zichtlijnen. 2. Vraag je af: wat zegt de ruimte? 3. Schilder met licht. 4. Bedenk altijd: wie ben jij?

Ik bekeek mijn woning op zoek naar zichtlijnen en zag slechts bergen. Marlies heeft er vast geen last van maar wij lijden thuis ernstig onder de WZVS, de Wet van de Zichzelf Vermeerderende Stapeltjes.

Wat dit over de ruimte zegt is dat het een chaos is en aan schilderen met licht kom ik al helemaal niet toe

Hoe hard we ons best ook doen de boel op orde te houden, overal liggen hoopjes. Hoopjes mens, als één van de kinderen zijn zin niet krijgt ("Ik wil ook vlaaaaaaa"), maar vooral hoopjes, ja wat eigenlijk?

Op mijn bureau ligt een mikado aan onthoofde potloden, daarbovenop een Vara-gids van augustus (Deze week: Zomergasten!), zestien rekeningen, een vergrootglas voor torretjes, twee doploze lippenstiften en een afgekloven stroopwafel.

In de badkamer bulkt een berg waarin ik zojuist de Bruce Springsteenautobiografie trof, een kattenkam, een schriftvel vol strafregels luidend 'Ik houd mijn piemel in mijn broek' (geen commentaar) alsmede een rol postzegels (altijd handig als je zit te schijten).

En in de keuken struikelde ik vanmorgen over drie plastic zwaarden, een Nirvanabadhanddoek en een dolfijnensleutelhanger voor de nodige voetperforaties.

Tot zover de zichtlijnen. Wat dit over de ruimte zegt is dat het een chaos is en aan schilderen met licht kom ik al helemaal niet toe (onze lampen houden zich trouwens strikt aan de Wet van Domino, ze gaan nooit tegelijk stuk waardoor er altijd een keukentrap in onze zichtlijnen staat).

Er blijft nu slechts één punt van Marlies over: wie ben jij? Een koter in een grotemensenhuis, denk ik somber. Maar dan realiseer ik me: ik ben wel een koter met zowel vilt- als lippenstiften, rekeningen als torretjesvergrootglazen, dolfijnensleutelhangers als postzegels op de plee.

Het is een vol leven, maar ook een vervuld leven. Zo gek is dat niet. Nu die kroonluchter nog.