Opinie Bewaar

Hij is al zijn hele leven bang voor onweer

James Worthy
James Worthy © Agata Nowicka

Er trekt een onweersbui over de stad. Wolken zo grijs dat ze achterkleinkinderen hebben.

Hij trekt de gordijnen dicht en zet Radio 1 wat harder. Een beller heeft het over politici die diep door het stof moeten gaan. "Als politici niet diep door het stof willen gaan, moeten ze maar niet in het bezit zijn van antieke denkbeelden," moppert de man, terwijl hij de stekker van de televisie uit de muur trekt.

Jaren geleden las hij ergens dat televisies kunnen ontploffen als het onweert. Nu is het niet zo dat hij vaak tv kijkt, maar toch zou hij het zonde vinden.

Zijn mobieltje begint te trillen. Het is zijn vriendin. Ze vraagt of hij oké is. En of hij zich al onder zijn eettafel aan het verbergen is.

"Nee, de vloer is niet schoon. Ik heb gisteren rijst ­gegeten. Als ik daar wil gaan zitten, moet ik eerst nog stofzuigen. En dat wil ik niet. Wat als de stofzuiger ontploft? Ik ben dus niet oké. Nee, ik ben verre van oké."

"Ik kom nu naar je toe."

"Maar je moet toch werken?"

"Jij bent veel belangrijker dan mijn knopenwinkel. Daarnaast gaat niemand knopen kopen als het ­onweert. Ik kom nu naar je toe."

Als zijn vriendin heeft opgehangen, schakelt hij zijn telefoon uit.

Hij is al zijn hele leven bang voor onweer. En dan vooral voor de onvoorspelbaarheid. De lukraakheid van bliksem. Die weet zelf niet eens waar hij zal inslaan. Dat ongeïnteresseerde maakt hem bang. Bliksem doet niet aan voorbereiding. Hij begint gewoon.

Geloof me als ik zeg dat ik stapel op je ben. Stapel als die wolken daar

De bel gaat. Hij plukt een balpen van zijn bureau en drukt ermee op het knopje naast de deur. Hij wil niet ­geëlektrocuteerd worden. En natuurlijk weet hij dat de kans klein is, maar een kans is een kans. Het kerkhof ligt vol met mensen die van de kansberekening verloren hebben.

Zijn vriendin zegt dat hij naar beneden moet komen. Hij moppert iets onverstaanbaars het trappenhuis in.

"Vertrouw me, ik ga je helpen."

"Ik wil niet geholpen worden. Er is helemaal niets mis met bang zijn."

"Kom, dan mag je me vanavond liefhebben zoals jij me het liefste liefhebt. Je weet wel. Op die manier die ik buitengewoon onnatuurlijk vind. Van die liefde die ­ervoor zorgt dat ik de volgende ochtend met iets meer beleid op mijn fietszadel plaatsneem."

Met halve tegenzin stevent hij de trap af. Daar staat ze dan. In een rode regenjas die tot haar schenen komt. Met haar vaalgroene kaplaarzen staat ze op reclame­folders van winkelketens die niet meer bestaan.

Ze lopen over de Minervalaan. Hij kijkt naar de lucht.

"Hier ben je veilig," ze wijst naar de Zuidas, "al die ­hoge gebouwen beschermen je. Zij vangen de klappen op. Je moet de Zuidas als je eettafel zien."

"Maar waar zijn mijn gordijnen?"

"Je kunt dit. Het is maar weer. Het is maar de lucht die om aandacht vraagt. Niemand kijkt meer naar de lucht. Onze telefoons hebben de lucht vervangen. En daarom onweert het. Dat is onweer. Het is gewoon de lucht die om de aandacht vraagt die hij verdient."

"Ik wil je geloven, maar..."

"Geloof me nou maar. En geloof me ook als ik zeg dat ik stapel op je ben. Stapel als die wolken daar."

Hij kijkt naar de hemel. En dan weer naar haar.

Als zijn hart een stekker had gehad, was het nu ontploft.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl