Opinie Bewaar

Het Leidseplein was een sloopkogel van moederkoek

James Worthy
James Worthy © Agata Nowicka

Op de dag dat we vrienden werden, waren we allemaal vrijgezel. Vijf jongens. Eenzaam in de stad. Roekeloos van de onrust.

Als we samen waren, doken we in het diepste gedeelte van de nacht, plaatsten we een knijper op ons eergevoel en begonnen we te synchroonzelf­vernietigen. De geheimen die we deelden, waren het cement tussen onze stenen.  

De nachten waren lang en onze relaties kort. We struikelden over het leven en genoten van de val. Als we samen waren, bungeejumpten we richting de verdommenis. Maar we kwamen altijd weer terug. Het elastiek deed zijn werk.

De bloemetjes buitenzetten, dat is wat we deden, maar we gaven de bloemetjes nooit water. De stad veranderde in een tuin vol dode bloemen. Met viooltjes aan onze schoenzolen verlangden we naar de verdovende functie van alle nachtelijke afleidingen.

We wilden niet voelen dat het leven al begonnen was, dus kropen we de baarmoeder van de nacht in. We waren nog niet klaar om gelukkig te zijn. Het Leidseplein was een sloopkogel van moederkoek.

Allemaal verlangden we naar het verdwalen, maar in ons verlangen naar het verdwalen, vonden we onszelf. De onrust trok haar sloffen aan. De nacht was opeens niet mythisch meer, maar gewoon een deel van de dag. En alles wat we om zeep dachten te hebben geholpen, begon langzaamaan weer te schuimen.

Alles wat we om zeep dachten te hebben geholpen, was verrukkelijk aan het schuimen

Zaterdag was er een trouwerij. De stoelen stonden in rijen onder de appelbomen. Met z'n vieren keken we naar onze broeder die trouwde. Het was het einde van een tijdperk dat al heel lang geleden geëindigd was.

Van een afstandje keek ik naar mijn vrienden. De jongens die er voor mij waren toen ik niemand nodig had. De schoudervullingen van mijn hart. Ik keek naar ze en zag al onze geheimen verdwijnen. Ik keek naar ze en zag hoe mijn vrienden mannen waren geworden.

Mooie mannen, met nog mooiere vrouwen en nog mooiere kinderen. In de verte zag ik onze onrust achter een boom staan. Ze nam haar verlies als een vrouw. Die prachtige onrust. Via de ladder in haar panty haalden we het slechtste in elkaar naar boven.         

Met rijst in onze haren dansten we de onrust naar huis. Het was zo'n mooie trouwerij dat ik mijn vrouw een aanzoek wilde doen. Onder de appelbomen wilde ik met mijn eigen reddingsboei in het huwelijksbootje stappen. Waarom heet het eigenlijk een aanzoek? Je zet het zoeken juist uit, dacht ik, en toen gaf iemand me een nieuw biertje.

Met confetti in onze haren dansten mijn vrouw en ik onze verliefdheid groter. Haar hoofd lag op mijn rechterschouder en ik keek naar mijn vrienden. Mijn onbetaalbare boeketje gootbloemen. Alles wat we om zeep dachten te hebben geholpen, was verrukkelijk aan het schuimen. De luchtbelletjes waren groter dan sloop­kogels. Iedereen was aan het schuimen van geluk.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. Reageren? james@parool.nl