Opinie Bewaar

Een dode schoonheid eten en genieten

Een dode schoonheid eten en genieten
© Wolff

1.

'k Was jong. Mijn vader vroeg me stil te zijn.
Ik hield mijn adem in. Toen zag ik hem.
Die ogen! Dat gewei. Pa's fluisterstem:
"Hij ziet ons nu!" Ik rook hem. "Heeft hij pijn?"

"Nu niet," zei pa. Het hert keek strak naar mij.
Een diepe vriendschap werd geboren toen.
Wat haatte ik het kille jachtseizoen.
De jagerskogels zijn smeerlapperij!

Ik leerde schoonheid kennen door zijn blik.
Kon hij de mens maar kennen door mijn ogen.
Hij rende weg. Ik stond nog onbewogen.
Ontroering was gekomen als een schrik.

Ik had slechts een vermoeden van de dood.