Opinie Bewaar

De liefde blijft leven als de afwijzing uitblijft

James Worthy
James Worthy © Agata Nowicka

Ik vond een oude klassenfoto in een doos met liefdesbrieven. Om heel eerlijk te zijn kreeg ik nooit liefdesbrieven, maar ik vond het heerlijk om ze te schrijven. Het hart uitmelken op geparfumeerd papier, het was een lichte verslaving.

Zo'n brief was een legenda van mijn verkikkerdheid. Rivier. Heuvel. Stad. Melkfabriek. Landweg. Ik legde alles uit, zodat de lezeres niet zou kunnen verdwalen.

Het stomme is dat ik al mijn liefdesbrieven heb ­bewaard. In een bananendoos. Ooit stond die bananendoos op zolder, maar tegenwoordig staat ie in onze ­gehuurde opslagruimte op de Transformatorweg.

Ik ga niet graag naar onze opslagruimte toe. Het is een onheilspellend gebouw. De gangen zijn er lang en in ­elke gang zitten driehonderd rolluiken en achter die rolluiken zitten onze spullen gevangen.

De andere ­reden dat ik niet graag naar onze opslagruimte ga, is vanwege het gevoel dat ik er krijg. Er slapen vannacht miljoenen mensen op straat, maar mijn troep heeft een dak boven het hoofd. Mijn afgedankte wereldbollamp heeft een beduidend lichter leven dan de mensen die ongevraagd in het duister zijn geboren.  

De liefdesbrieven die ik schreef, heb ik dus nooit ­opgestuurd. Ik bewaarde ze. De liefde blijft leven als de afwijzing uitblijft. En de honger is altijd mooier dan de maaltijd, dacht ik.

Op de klassenfoto die in de bananendoos lag, zit ik rechtsvoor. Ik draag een roze polo. Alle knoopjes zijn dicht. Aan mijn haarkleur te zien is het net na de ­zomervakantie. Ik draag halfhoge, lichtblauwe Nikes die de vader van een buurjongen voor mij uit Amerika had meegenomen.

Toen ik ze voor het eerst zag, vond ik de gympen afschuwelijk, maar toen mijn moeder maar bleef herhalen dat ze uit Amerika kwamen, vond ik ze een stukje mooier. In die tijd keek men nog naar Amerika op. De Amerikanen liepen voor op ons. Ja, ze liepen zo ver op ons voor dat ze overmoedig werden en een ravijn in liepen.

Ik kijk naar de schoenen. De schoenen waar ik anderhalf jaar lang alles op deed. Ze zagen de winter en ze ­zagen het Vondelpark in de zomer. Ik klom met ze in bomen en ik rende met ze weg van de grotere jongens. Van alle jongens dus. Ik rende over de bevroren grachten, door de steegjes en langs het ravijn.

Maar waar zijn de schoenen nu? En waar is die roze polo? Waar is al mijn kleding van vroeger gebleven? Het moeten inmiddels honderden vuilniszakken zijn. Vol met Gino Santi-onderbroeken en T-shirts van het merk Oxbow.

Ik mis de kleding die er ooit voor zorgde dat ik niet naakt was. Al die winterjassen. En de coltruien die ik in de puberteit droeg, omdat ik me hemelsbreed schaamde voor de puistjes in mijn nek.

Waar is dat ­T-shirt dat ik na een concert van hiphopgroep Non Phixion kocht? Waar is alle kleding waarmee ik liet zien wie ik was? De kleding waardoor ik bij een groepje hoorde. De kleding waardoor ik niet meer alleen was.

Ik zou het echt niet weten.

De vergetelheid heeft de broek aan in al onze relaties.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug. 

Reageren? james@parool.nl