Opinie Bewaar

Dakloze Lucien omschrijft zichzelf als iemand die geluk heeft gehad

Roos Schlikker
Roos Schlikker © Linda Stulic

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool.

Minutenlang dubt Lucien of hij karne- of chocolademelk moet nemen. Hij kijkt me nauwelijks aan, zijn ogen dwalen nerveus door de Hoftuin, gedachten lijken te dwarrelen door zijn hoofd.

Even weet ik niet zeker of hij me wel wil ontmoeten, maar als hij begint te praten verlaten ­zinnen enthousiast hak-op-de-takkend zijn mond.

Onlangs mailde reclamemaker Pim Gerrits me over het initiatief Openluchtverhalen. Daklozen dragen voor één euro werk van Nederlandse schrijvers voor. Mochten ze ook een stukje van mij verkopen? Natuurlijk, maar dan wilde ik niet zozeer mijn eigen verhaal horen, maar vooral het verhaal van de dakloze die ermee op pad ging.

Naast hem staat een plastic kroon die hij draagt als hij de terrassen af struint op zoek naar betalend publiek.

Dus nu zit ik tegenover Lucien. Het is warm, maar hij heeft een synthetisch jack aan. Naast hem staat een plastic kroon die hij draagt als hij de terrassen af struint op zoek naar betalend publiek.

Hij doet het vooral om met mensen in contact te komen. "Als je leeft zoals ik, ben je soms onzichtbaar. Ik ben niet overal thuis. En eigenlijk ben ik ook overal niet thuis," mompelt hij.

Lucien heeft oude talen gestudeerd en een tijdje ­Nederlands. "Toen is het een beetje misgegaan. Er was een meisje."

Stilte. Was hij verliefd?

"Ik denk 't. Ik maakte gedichten voor haar."

Hoe Lucien vervolgens op straat belandde, blijft ­onduidelijk. Soms draaien zijn ogen weg naar een verte waar niemand hem bereiken kan. Lucien communiceert associatief, een tikje warrig tot hij opeens een zin zegt die alle waarheid bevat.

Hij oreert lang over een zwerftocht door Frankrijk, gedoe met geld, de plek waar hij nu slaapt. "Ik heb een adres, maar wil daar weg. Er zijn te veel nare herinneringen." Het liefst zou hij altijd reizen. "Ik hou van beweging." Soms gaat hij naar het station en staart naar de drommen. "Al die mensen in beweging. Als je ervoor openstaat, zíe je dingen."

Hij ademt diep in. "Mensen stellen vaak zulke rare vragen. 'Waar kom je vandaan?' Zo vreemd. Vraag me liever waar ik heenga."

Zijn blik ­gericht op de horizon die ergens achter de Wibautstraat zichtbaar moet zijn.

Ik vraag hem hoe hij zichzelf zou omschrijven. "Als iemand die geluk heeft gehad." Ik staar hem aan. "Echt. Ik had ergens als schrijver op een redactie kunnen werken, maar dan was ik niet vríj geweest."

En toch, er is iets aan het veranderen. "Tien jaar geleden wilde ik alleen vrijheid, maar weet je... als je dood bent, word je vergeten. Je moet je binden, zodat er later iemand is die zich jou herinnert."

Bedoelt hij een liefde? Hij knikt. Dat zou hij graag willen. "Laatst vroeg iemand me welk dier ik ben. Een vlinder, zei ik. Maar nu denk ik: misschien ben ik liever een boom. Alleen is dat geen dier."

En bomen bewegen niet, zeg ik voorzichtig. "Nee. Maar twee bomen vormen samen een bos." Dan veert hij op. "Zeg, is een wandelende tak eigenlijk een dier?" Ik wil antwoorden, maar zijn ogen draaien weg. Zijn blik ­gericht op de horizon die ergens achter de Wibautstraat zichtbaar moet zijn. Lucien is alweer op reis.

Reageren? r.schlikker@parool.nl