Opinie Bewaar

Als blikken konden doden, werd ik nu gereanimeerd

James Worthy
James Worthy © Agata Nowicka

In de tuin van mijn beste vriend staan acht volwassen mannen in een kringetje om een barbecue heen. Ik ben er eentje van.

Bovenop het rooster, dat ongeveer net zo groot is als een landingsplatform voor helikopters, ligt voor driehonderd euro aan vlees van de ecologische slager. Iedereen heeft een barbecuetang en een vleesvork vast. De zon laat mijn kruin gloeien.

Ik probeer een struisvogelbiefstuk om te draaien, maar iemand houdt me tegen. Het is de buurman van mijn beste vriend. In zijn ogen kolken huizenhoge vlammen. Als blikken konden doden, werd ik nu gereanimeerd. Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij mij niet mag.

Op een blauwe maandag hebben zijn vrouw en ik iets met elkaar gehad. In de tijd dat ze nog kieskeurig was. We waren nog jong. Ergens achter in de twintig. Te oud voor een beugel, maar te jong voor een fruitschaal in huis. Ze keek graag naar me als ik aan het schrijven was. Dan klom ze op mijn schoot en enterde ze mijn toetsenbord met haar achterwerk.

"Je raakt het vlees echt veel te vaak aan, gast."

Ik ben van nature geen agressieve man, vliegen zijn meer dan veilig bij mij, maar op de een of andere ­manier kan ik ontploffen als iemand mij 'gast' noemt. Er hangt een soort mist van studentikoze neerbuigendheid om het woord 'gast' heen. En toch laat ik het gaan. Ik keer hem de andere wang toe. Mijn coulantste wang. Ik heb geen zin in ruzie. Dus loop ik naar de zitzak die in de hoek van de tuin ligstaat.

Normaliter heb ik het niet zo op zitzakken. Altijd als ik in zo'n ding ga zitten, voelt het alsof ik Barbapapa een lapdance aan het geven ben.

Dit vlees is malser dan de kuiten van Aphrodite

Ik kijk naar de zeven mannen die in de buurt van de barbecue staan. Ze zien er allemaal uit alsof ze precies weten wat ze aan het doen zijn.

Mijn beste vriend draagt een schort over kledingstukken waar, naar mijn mening, best vlekken in zouden mogen komen. De buurman legt de struisvogelbiefstukken op stukken aluminiumfolie en maakt er pakketjes van.

"En nu leg ik deze pakketjes voor tien minuten op het indirecte gedeelte van de barbecue," hij kijkt mij aan, terwijl hij het zegt. Ik lach naar hem, terwijl ik fantaseer over hoe ik zijn uitgeholde romp als een bodywarmer draag. Hij lacht terug, als een boer met spiespijn dat wel, en daarna draait hij de lamsmerguez allemaal een kwartslag om.

Vanuit de zitzak kijk ik naar de mannen die wel alles kunnen. Ik neem een grote slok bier en slurp de achtergebleven druppels uit mijn snor.

"Wil jij het eerste bordje hebben, gast?" vraagt de buurman aan mij. In mijn fantasie maak ik een vogelkooi van zijn ribbenkast. In het waterbakje van de ribbenkastvogels schenk ik een halve liter laxeermiddel.

"En?" vraagt hij als ik op mijn eerste stuk struisvogelvlees kauw. Ik wil iets gemeens zeggen en de tranen van zijn wangen likken, maar ik kan het niet. Dit vlees is malser dan de kuiten van Aphrodite.

"Nu begrijp ik waarom struisvogels hun kop in het zand steken. Ik wil dat namelijk ook doen. Ik wil mijn kop voor de rest van mijn leven in het zand steken, ­omdat ik nooit meer iets anders wil proeven. Dit vlees, man."

"Bedankt, gast," zegt hij.

Ik sta op uit de zitzak, vraag twintig euro aan Barbapapa en sluit mezelf op in het op de tweede verdieping ­gelegen toilet.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

james@parool.nl