Opinie Bewaar

'Witte dominantie heeft overal tentakels'

Het Nationaal Monument Slavernijverleden tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark
Het Nationaal Monument Slavernijverleden tijdens de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark © ANP

Slavernijonderzoek is helemaal geen exclusieve zaak van zwarte Nederlanders, schrijft masterstudent Emma van Meijeren. Witte wetenschappers vormen de meerderheid.

In Het Parool van 29 juni bepleit schrijver John Jansen van Galen dat de studie naar slavernij in de Nederlandse context niet alleen het werk zou moeten zijn van zwarte Nederlanders.

In zijn argumentatie lijkt hij vooral te spreken tegen de 'activisten' die kritiek uiten op de witheid van het postkoloniale onderzoek in Nederland. Hij lijkt zich er echter niet bewust van te zijn dat hij hiermee precies het punt bewijst dat deze 'activisten' maken...

Witte dominantie
De spanning waar Jansen van Galen zich wel bewust van lijkt te zijn, staat of valt op de vraag of we daadwerkelijk te maken hebben met een academisch klimaat waarin witte mensen per definitie geen onderzoek kunnen doen naar postkoloniale onderwerpen. Dit is niet het ­geval.

Sterker nog, bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde wat Jansen van Galen benoemt zijn momenteel 4 zwarte onderzoekers werkzaam, tegenover 28 witte onderzoekers. Het instituut heeft in zijn geschiedenis nog nooit iemand van kleur als directeur gehad. En dit is enkel een momentopname.

De witheid van het KITLV en elke andere plek in Nederland waar onderzoek gedaan wordt naar postkoloniale onderwerpen, moet bezien worden in een structuur van witte dominantie die haar tentakels in elk aspect van de Nederlandse wetenschappelijke samenleving heeft.

Eurocentrisme
Dit reikt van de top van de wetenschap, waar we vrijwel geen zwarte hoogleraren zien, en de hoogleraren die wel zwart zijn systematisch met racisme in aanraking komen (hoogleraar Gloria Wekker vertelde bijvoorbeeld hoe zij tijdens haar eigen inauguratie aangezien werd voor ­baliemedewerkster) via assistent-professorschappen, post-docs en PhD's naar het onderwijs dat universiteitsbreed gedomineerd wordt door ­eurocentrisme.

Het is als student in Nederland vrijwel onmogelijk om college te krijgen over het Caribisch ­gebied van een docent uit het Caribisch gebied. De invloed die dit heeft op de ontwikkeling van onze kennis over de Nederlandse slavernij­geschiedenis is immens.

De basale premisse, dat iemand die weet hoe het Caribisch gebied eruitziet - hoe de aarde voelt, hoe de mensen spreken, wat de invloed is van de geschiedenis op het heden - een onderzoeker verschaft met waardevolle voorkennis die het onderzoek ­verbetert, lijkt compleet aan de Nederlandse academische wereld voorbij te gaan.

Bevooroordeeldheid
Sterker nog, een Caribische onderzoeker wordt met gemak bevooroordeeldheid verweten, terwijl de motivaties van Nederlandse ­onderzoekers zelden bevraagd worden.

Nederland kan niets anders doen dan zich schamen voor de mijlen waarop wij achterlopen.

Het is Jansen van Galens eigen dédain dat uiteindelijk boekdelen spreekt. Het Ninsee krijgt het volgens hem maar niet voor elkaar (en hierbij vergeet hij voor het gemak te vermelden dat de rijksoverheid in 2012 volledig gestopt is met de financiering van het Ninsee).

En de hedendaagse activisten, die 'doen er niks mee': een ­tegenspraak in essentie, aangezien de luiheid die hier verweten wordt niet samen kan komen met het activisme waar hij zich klaarblijkelijk aan stoort.

Dit dédain is niet enkel symbolisch, maar laat juist precies zien waarom dit activisme zo ­nodig is.  

In de geest van Frantz Fanon, Édouard Glissant, Stuart Hall, Paul Gilroy, Gloria Wekker, Rose Mary Allen en alle andere Afro-Caribische onderzoekers die zich aan Europese universiteiten hard gemaakt hebben voor nieuwe ­inzichten en theorieën die ons doen verstaan wat zich in onze geschiedenis heeft afgespeeld en hoe dit van invloed is op ons heden en onze toekomst, kan Nederland niets anders doen dan zich schamen voor de mijlen waarop wij achterlopen. En dit zijn precies de mijlen die witheid nooit zal inhalen.