Opinie Bewaar

'Vernoem een volksbuurt niet naar Abraham Asscher'

Diamantslijperij J. Asscher in de Tolstraat in 1947
Diamantslijperij J. Asscher in de Tolstraat in 1947 © ANP

Het is een ongepast eerbetoon de luxe nieuwe wijk in De Pijp te vernoemen naar Abraham Asscher, leider van de Joodsche Raad, betoogt historicus Alida van der Veen.

Op het terrein van het vroegere gemeentearchief in De Pijp rondom de diamantslijperij van de firma Asscher is een nieuw kavel met peperdure ­appartementen in aanbouw, door de aannemer en het stadsdeel tot ­'Asscherkwartier' gedoopt.

Het oude raadhuis van Nieuwer-Amstel aan de Amsteldijk wordt een vijfsterrenhotel en de diamantfabriek aan de Tolstraat wordt tot luxe flats verbouwd: het sluitstuk van dit vastgoedproject waarin ook Ymere deelneemt.

Maar tot voor kort was De Pijp een volksbuurt. Begin vorige eeuw namen de socialistische wethouders Floor Wibaut en Salomon de Miranda het voortouw tot de bouw van grote volkswijken in Amsterdam. De door hen opgerichte Woningdienst bouwde samen met ­woningbouwverenigingen, arbeidersorganisaties gesteund met gemeentelijke subsidie, op grote schaal sociale woningen.

Bouw van arbeiderswijken
Monne de Miranda, zoon van een Joodse diamantbewerker, kwam als jongeman onder de hoede van Henri Polak, de voorman van de ­Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond en de Sociaal Democratische Arbeiders Partij.

Naast Wibaut zette De Miranda zich vanaf 1919 twintig jaar lang als wethouder in voor de bouw van arbeiderswijken, voedseldistributie (de Centrale Markthallen), gemeentelijke wasserijen, badhuizen en zwembaden. In de crisis van de jaren dertig organiseerde hij de aanleg van het Amsterdamse Bos als werkverschaffingsproject. In de oorlog stelde de Duitse bezetter hier Joodse mannen tewerk, vóór hun deportatie.

In 1941 weigerde De Miranda het verzoek van de Joodsche Raad om de Februaristakers weer tot werken aan te zetten. Na de Februaristaking meldde hij zich daarentegen bij de Sicherheitspolizei met het aanbod hem als Joodse socialistische leider gevangen te nemen in plaats van de mannen en jongens die door de nazi's waren opgepakt.

Kamp Amersfoort
De Duitsers lieten hem toen gaan, maar ­namen hem een jaar later gevangen. In Kamp Amersfoort werd hij, 67 jaar oud, zeven dagen achtereen in elkaar geslagen tot de dood erop volgde.

Het Joodse proletariaat van Amsterdam is door de nazi's weggevaagd: meer dan 60.000 vrouwen, mannen en kinderen werden gedeporteerd en in Sobibor en Auschwitz vergast of doodgebeuld.

Het overgrote deel van de Joodse midden- en hogere klassen deelde hun lot, werd opgesloten in Westerbork, naar de vernietigingskampen gedeporteerd en vermoord. In totaal vielen 80.000 Joodse Amsterdammers aan de nazi's ten prooi.

Dwang van de bezetting
De nazileiders met de Duitse bezettingsmacht waren de hoofdschuldigen. Toch rust ook op Nederlandse ambtenaren, leidinggevenden, burgemeesters en politieagenten die de bevelen van de Duitsers uitvoerden een schuld, al handelden zij vaak onder dwang van de bezetting. Een deel van hen collaboreerde uit vrije wil.

Dit doet onrecht aan alle vermoorde Joodse slachtoffers en miskent het trauma van hun families

En ook het bestuur van de Joodsche Raad ging niet vrijuit, hoezeer de leden ook onder dwang stonden en hoewel zij met hun families uiteindelijk net als andere Joden gedeporteerd werden. Abraham Asscher had met David Cohen de leiding van deze door de Duitse bezettingsmacht ingestelde Joodsche Raad. Stapsgewijs gaven zij steeds verder aan de Duitse eisen toe.

Op 13 september 1944 voerden de Duitsers Abraham Asscher en zijn gezin met het laatste treintransport uit Westerbork naar Bergen-­Belsen weg. Zij overleefden dit doodskamp, werden op 13 april 1945 in Farsleben bevrijd. David Cohen werd naar Theresienstadt gedeporteerd, waar ook hij overleefde.

Laakbaar handelen
Een na de oorlog opgerichte Joodse Ereraad, die over Joodse gevallen van collaboratie moest oordelen, verklaarde beide leiders van de Joodsche Raad moreel schuldig en verbood hun ooit nog een leidende rol in de Joodse gemeenschap uit te oefenen. Deze Ereraad - door Cohen wel erkend, door Asscher niet - oordeelde hun beider handelen laakbaar in een wereld die zelf in gebreke was gebleven.

Al is het makkelijk om vanuit de veiligheid van onze hedendaagse vrijheid te oordelen, blijft het een ongepast eerbetoon om nu een luxe wijk rondom de diamantfabriek naar Asscher te vernoemen.

Dit doet onrecht aan alle vermoorde Joodse slachtoffers en miskent het trauma van hun families. Laat het gemeente­bestuur dit kavel, een commercieel project, daarom naamloos laten. Maar vernoem een volksbuurt of straat naar Monne de Miranda.