Opinie Bewaar

'Te weinig aandacht voor relaties tussen moslims en niet-moslims'

Het regenboogpad bij Sloterdijk, aangelegd om de acceptatie van homoseksuelen en biseksuelen te bevorderen
Het regenboogpad bij Sloterdijk, aangelegd om de acceptatie van homoseksuelen en biseksuelen te bevorderen © Rink Hof

Er is veel aandacht voor biculturele lhbti's, maar de verboden liefde tussen islamitische en niet-islamitische Amsterdammers valt buiten de boot, aldus Mounir Samuel.

'Mijnheer, ik herken mij in uw verhaal," stamelde een blonde vwo-leerling na een gastles op het Calandlyceum in Nieuw-West. Nu komt het, dacht ik. Ik was er in de hoedanigheid van auteur van een roman waarin genderfluïditeit en vrije seksuele expressie centrale thema's zijn, dus de optelsom leek snel gemaakt: deze hippe jongen op z'n spierwitte sneakers is homo, of trans, of een combinatie van beiden.

Maar hij vervolgde: "Net als u ben ik verliefd op een islamitisch meisje, maar het mag niet. Ze heeft het uitgemaakt. Eigenlijk is iedereen hier moslim. Ik kan op niemand verliefd worden in de klas." Gepijnigd keken zijn blauwe ogen mij aan.

Ik werd tot tweemaal toe verliefd op een islamitische vrouw om met lede ogen toe te zien hoe na respectievelijk anderhalf en een jaar van barsten en breken, duwen en trekken, angst en bedreiging, instorting en depressie, de partners in kwestie - verscheurd als ze waren door de strijd rond God, gemeenschap en haar eigen gemoedsrust- uiteindelijk vertrokken.

Identiteitspolitiek
Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik een ingewikkelde relatie heb met de islam en tegelijk een grote interesse koester voor deze godsdienst. Anders dan veel christenen, ken ik geen angst of weerzin tegen het geloof van de na­zaten van Ismaïl.

Als tiener raakte ik gefascineerd (en bezorgd) over de alomtegenwoordige en allesoverheersende aanwezigheid van de islam in mijn vaderland, Egypte, een religie die in Nederland ondertussen steeds negatiever in het nieuws kwam.

In Nieuw-West merk je een groot ongemak met lichamelijke affectie

Als kind van de post-9/11-generatie werd ik niet zelden voor dochter (en later zoon) van terroristen uitgemaakt. De eerste vliegtuigkaper wiens naam en gezicht bekend werd, was ­immers Mohammed Atta, een Egyptenaar.

Een dag na het instorten van de Twin Towers - dat direct het begin van al meer dan zeven­tien jaar hardnekkige ééndimensionale identiteitspolitiek inluidde - werd ik door een groep witte scholieren van mijn fiets getrapt. Wrange ironie: mijn koptisch-christelijke familie in Egypte is haar leven weinig zeker.

Transitie
Daar hield het niet bij op. Terwijl ik in de afgelopen jaren voor het grote publiek van vrouw man werd, vond er ook een andere sociale transitie plaats. Met mijn naamsverandering en uiterlijke transformatie veranderde ik van een aaibaar Hollands meisje in de volgende ongewenste straat-Marokkaan.

De vele kleine en grote vormen van discriminatie die ik opeens ondervond, van geschaduwd worden in winkels tot geweigerd worden in clubs, zorgden voor een steeds nauwere verbondenheid met de islamitische, biculturele en Marokkaanse gemeenschappen in Nederland.

Het waren juist zij uit laatstgenoemde gemeenschappen die mij bij iedere volgende ­coming-out het meest (en luidst) steunden en de ooms en tantes, broers en zussen werden waar het mij zo aan ontbreekt. Tegelijk zal ik nooit een van hen zijn. Want brak mijn eerste relatie op onze 'lesbische zonde', mijn transitie maakte het niet makkelijker.

Potjes en prijzen
Een Marokkaans-Nederlandse vrouw kan in veel gevallen beter gay zijn dan verliefd worden op een christelijke Arabische man - zowel binnen als buiten de gemeenschap. Zo bestaan voor de eerste categorie tal van belangenorganisaties, hulpverleners, subsidiepotjes, Kleurrijke Prijzen, Roze Lieverdjes en meer.

Een Marokkaans-Nederlandse vrouw kan in veel gevallen beter gay zijn dan verliefd worden op een christelijke Arabische man.

Maar de Turks-Nederlandse heteroseksuele vrouw die simpelweg ongetrouwd op zichzelf wil wonen of de Marokkaans-Nederlandse dame die verliefd wordt op een ongelovige Hollander, staat er in alle opzichten alleen voor.

Terwijl de gemeente Amsterdam er alles aan doet om de positie van biculturele lhbti's te verbeteren met evenementen als 'jezelf kunnen zijn in (gevolgd door desbetreffend stadsdeel)', ondersteuning van allerhande bottom-up-organisaties als Stichting Maruf en zelfs Turkse ouders van lhbti-kinderen uit Istanboel naar de stad haalde om met hun generatiegenoten de discussie aan te gaan, lijkt vrijwel niemand oog te hebben voor al die andere vormen van verboden liefde die onze stad rijk is.

Publieke affectie
Docenten, hulpverleners, beleidsmedewerkers en politici hebben geen oog voor hen en onderschatten in veel gevallen de enorme psychologische, ­sociale en persoonlijke gevolgen van deze stille pijn.

Natuurlijk wil ik dat iedereen overal veilig is en lhbti's veilig hand in hand over straat kunnen. Maar wie zich wat langer in de plaatselijke stadsdeelcultuur van bijvoorbeeld Nieuw-West verdiept, merkt een groot ongemak met welke vorm van lichamelijke affectie of opzichtig uiterlijk vertoon ook.

Anders dan in Istanboel, Marrakesh en Casablanca zie je in Slotermeer, de Indische Buurt of de Vogelbuurt van Noord nu eenmaal geen islamitische jongens en meisjes verliefd hand in hand lopen, elkaar op een bankje flirterig in de ogen staren of een kusje stelen. Eigenlijk zie je in overwegend islamitische buurten überhaupt geen publieke affectie, niet tussen getrouwde heterostellen en al helemaal niet tussen het ongetrouwde equivalent.

Een meterslange regenboog op Sloterdijk is loze symboolpolitiek als Samira op datzelfde moment niet eens hand in hand met haar creoolse vriend kan lopen en Sinem niet op kamers mag. Als we willen dat Amsterdam echt een stad wordt waar veiligheid en liefde zegevieren, zal er een nieuw gesprek op gang moeten komen dat voor alle partijen ongemakkelijk is en verder reikt dan het applaus voor de Marokkaanse boot. Dit gaat eerder om een hele vloot.