Opinie Bewaar

'Mama, hoe wist Johan Cruijff dat ie goed kon voetballen?'

'Mama, hoe wist Johan Cruijff dat ie goed kon voetballen?'
© Linda Stulic

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag lees je hier haar column uit Het Parool. Vandaag: afscheid van Cruijff.

In de auto er naar toe rebbelt hij aan één stuk door. 'Mama, is je rijbewijs halen net zoiets als afzwemmen?' 'Mama, triller van Maaikol Jekson is het allerbeste liedje,' 'Mama, er zit een Belgisch meisje in mijn klas, maar ze praat niet raar, hoor. Niet echt.' 'Mama, waarom zijn sommige mensen bruin en andere wit?' 'Mama, hoe wist Johan Cruijff dat ie goed kon voetballen?'

Ik ben eraan gewend, ingewikkelde kindervragen. Soms reageer ik er, afgeleid door werk en leven, wat kort op ('Mama, waar zijn vissen van gemaakt?' 'Eeeeeh.... Van vis?'), maar nu in de file heb ik alle aandacht voor hem.

Mama, hoe wist Johan Cruijff dat ie goed kon voetballen?

Thuis hebben we ter voorbereiding talloze filmpjes bekeken. Het is niet niks, samen voor het eerst naar Ajax en dan ook nog eens op de dag dat Johan Cruijff wordt geëerd. Eindeloos surften we langs oude beelden. Het mooist vond hij het videootje van Johan die op straat een balletje hoog hield, slechts een paar jaar ouder dan hij zelf. Mijn zesjarige die totaal verliefd is op de bal. En sinds kort ook een beetje op Johan.

Dus mag hij mee naar de Arena, net als ik vroeger mee mocht met mijn vader. Herhaalde geschiedenis kan prachtig zijn, denk ik licht geroerd en ik trek zijn Ajaxpetje nog iets verder over zijn oren. Voor straks beloof ik hem een met saus overgoten hotdog. Hij straalt en hak-op-de-takt verder. 'Waarom is er geen meisjes-Johan-Cruijff?' 'Rekenen is mijn lievelings.' 'Hoe kan een roltrap rollen?'

Maar in het stadion valt hij stil. Benepen staat hij naast me als we onze plekken hebben gevonden, druipbroodje in de hand. Bloed, zweet en tranen schalt. Fans loeien. Overal hangen borden, spandoeken, shirts met dat ene getal, alsof niet alleen de supporters maar ook de Arena zelf zíjn nummer scandeert. Veertien. Veertien. Veertien. 

Ik zie mijn jochie kleiner worden, overdonderd door al het nieuwe. Ik moet toelichten wat hij ziet, besluit ik, en dus praat ik. Ik vertel over veertien. Ik wijs hem oud-spelers aan. Sjakie Swart. Marcie Overmars. Robbie ­Witschge. Ik zeg rustig waarom de security er staat als hij daar fronsend naar kijkt. Hij wijst een vader en zoon voor ons aan die beiden een keppeltje dragen. Ik vertel dat dat is omdat ze joods zijn. Niet lang daarna joelt de F-side 'Joden! Joden!' over het veld. Ik probeer uit te leggen dat dat niet over die brave mensen voor ons gaat. 

Ik praat en praat, om het hem allemaal te verklaren. En om stiekem mijn ontroering een beetje weg te drukken, want potdomme, die geprojecteerde Cruijffkop boven me, de spelers met hun rouwbanden, de kermende accordeonmuziek, het is ook best heel veel. Dus ben ik nu degene die rebbelt, terwijl mijn kind grootogig rondkijkt en amper luistert. 

En dan houd ik eindelijk mijn mond. Net als ruim vijftigduizend andere fans. Eén minuut stilte. Hij duurt eindeloos. En plotseling klinkt naast me, midden in het ­totale wegvallen van alle geluid, een heel zacht: 'Wow...'
Daarmee is alles ineens gezegd.