Opinie Bewaar

'Ik ruik gassss!'

Roos Schlikker
Roos Schlikker © Linda Stulic

Roos Schlikker (1975) is journalist en schrijfster van boeken en toneelstukken, waaronder recentelijk nog Ajax, Mijn Club (2015). Elke zaterdag schrijft ze een column voor Het Parool. Deze week: de lingerieafdeling van de Bijenkorf.

Omdat het regende, dertien graden was en ik mijn zomer­outfit al drie keer had aangepast wegens algehele bibberigheid (eerst een vestje erbij, toen een panty eronder en uiteindelijk godgloeiende maar de fleece van mijn man aan) was ik dringend toe aan een ijsje. Bij tropische temperaturen is rondsjokken als een lebberende labrador het laatste wat ik wil, maar in miezerweken wil ik nogal eens mijn mond bevriezen. 

Waarom waarschuwde je me niet eerder?

Toen ik mijn deur uitstapte rook ik iets raars. Ik reageerde als ieder struisvogelmens en snelde weg in de hoop dat de lucht er niet was, maar een hoogblond ­geperoxideerde buurtbewoner siste in plat Amsterdams: "Ik ruik gassss!" De bouwvakker die aan het werk was in de benedenwinkel stond er schutterend bij. "Ja, eeeeh, dat kan kloppen, ik heb iets geraakt, geloof ik. Je ken hier maar beter niet staan."

De man was bezig bliksemafleiders en aarddingesen in de grond te proppen, maar had met zijn schop al wroetend een verkeerd leidinkje geraakt. Ik knipperde even, terwijl de man mensen met winkeltasjes van mijn stoepje dirigeerde wegens potentieel boemrisico. Het ontploffingsgevaar stond echter pal voor zijn neus in de gedaante van een veertigersvrouw in een te ruime fleece­trui. "Je ken hier maar beter niet staan? Ik wóón hier boven," riep ik schril.

Wanneer was meneer van plan mij te waarschuwen? Voor of nadat de boel zou zijn ontploft? Dat stond hier maar te stamelen, terwijl intussen de halve Groningse gasbel ontsnapte. Wist hij wel dat hier kínderen woonden? Wist hij wel wat er allemaal kon gebeuren? Wist hij wel? Idioot!

De man ontweek mijn blik. Hij mompelde terwijl hij naar het terrasje van het buurtcafé aan de overkant wees: "Je ken beter effe daar wachten."

Met beukend hart plofte ik er neer en zag woest namompelend de brandweer arriveren. En Liander. Met vier busjes. Een half uurtje later werden de rood-witte afzetlinten weer opgerold. "Niks aan het handje, het is dicht. En dat gas vervliegt zo," kwam een brandweerjongen vertellen die opvallend klein leek in zijn grote pak. O ja, knikte ik.

Op het terras ging het alweer over echt belangrijke zaken. "Kun jij naaien?" vroeg een vrouw met een middagwijntje aan niemand in het bijzonder. "Ja, hoor," blèrde een getatoeëerde buurman met oorbel. "Maar ik heb een heel kleine naald. Er passen maar twee parkietjes op, waarvan de laatste alleen met zijn linkerpootje, wahahahaha."

Plotseling stond de bliksemafleider naast me. "Het was niet echt mijn fout," bromde hij. Ik keek hem aan. "Waarom waarschuwde je me niet eerder?" Het was net op het moment gebeurd dat ik naar buiten kwam, legde hij uit. O ja, knikte ik maar weer eens. En ik realiseerde me, terwijl mijn hoofd warm werd: de man had werkelijk alles goed gedaan. Ik was hier de idioot. Met mijn geschreeuw.

"Sorry," wilde ik zeggen. En dat irrationele woede vaak verkapte angst is. In plaats daarvan vroeg ik: "Biertje?" Maar de bliksemman slofte al weg.

In het café zong André Hazes. Hij vroeg zich af wat liefde was.


r.schlikker@parool.nl