Opinie Bewaar

'Hoe zag jouw dode hond eruit, opa?'

Theodor Holman
Theodor Holman © Wolff

Ik word geskypet, ­accepteer het gesprek, dat uit een ver land komt, zie onrust en een halve lamp en hoor op de achtergrond: "Zeg nou gewoon even dag tegen opa."

"Hoeft niet," roep ik ervaren.

Dan verschijnt mijn dochter in beeld. "Hij heeft een dooie hond ­gezien en is nu een beetje overstuur."

"Niet!" hoor ik Koning op de achtergrond.

Opeens gaan mijn gedachten naar 1963. Ik was tien. Ik stepte over de stoep. Ik kwam Jantje Ruhé tegen die op de hoek woonde. Hij zei tegen mij: "Je moet eens in die vuilnisbak kijken."

"Waarom?"

"Kan je lachen."

Ik stepte naar de vuilnisbak, deed hem open en keek recht in de dode ogen van Robbie, de lieve terriër van buurvrouw Van der Waals, van wie ik wel eens een dubbeltje kreeg om een rolletje drop te kopen bij sigarenhandel Kleibrink.

Robbie, dood, blauwe tong uit bek - iets vreselijkers, iets zieligers, iets afgrijselijkers had ik nog nooit gezien; hoe vaak had ik Robbie niet geaaid en hem stukjes brood en koek gegeven?

De aanblik vond ik dermate angstig dat ik mijn step vergat en naar huis rende en huilend aan mijn moeder vertelde wat ik had gezien.

Terwijl mijn moeder mijn step ging halen en met mevrouw Van der Waals ging praten, ging ik naar mijn kamer met Nikkie, onze hond, en vertelde hem wat er was gebeurd, wat hem niet interesseerde.

Ik stepte naar de vuilnisbak en keek recht in de dode ogen van Robbie

Ik was dagenlang ziek van Robbie. Ik kon niet aan wat ik had gezien. Die lege ogen, die tong in die half openhangende bek in die stinkende vuilnisbak. Ofschoon mijn ouders wel iets van mijn angst begrepen, reageerden ze toch weinig pedagogisch.

"Het was een ziek, oud beest," zei mijn moeder.

"In het kamp zouden we blij zijn geweest met een dode hond," zei mijn vader.

"Hij is de kamer uitgelopen," hoor ik mijn dochter opeens zeggen.

"Je schrikt je kapot als je zoiets ziet," zei ik. "Je weet dat ik..."

"Nee pap, nu niet het verhaal van die hond vertellen, want ik denk dat hij zo weer de kamer binnenkomt."

Koning verschijnt, zonder aankondiging, opeens in beeld. "Hoe zag jouw dode hond eruit, opa?" vraagt hij.

"Wel lief. En de jouwe?"

"Ook lief. Hij was aan­gereden."

"Wat naar."

We zwijgen beiden en kijken naar elkaar. Het is of we elkaars ogen in de gaten houden.

En weer ineens verbreekt hij de verbinding.

Ik begrijp hem.

Theodor Holman (1953) is columnist, schrijver, televisie- en radiomaker. Elke dag, uitgezonderd zondag, lees je hier zijn column. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? t.holman@parool.nl