Opinie Bewaar

'Er is lef nodig voor een beter mbo'

Het ROC van Amsterdam en bedrijven werken samen in een werkplaats voor leerlingen.
Het ROC van Amsterdam en bedrijven werken samen in een werkplaats voor leerlingen. © Mats van Soolingen

De hardnekkige kloof tussen mbo-opleiding en arbeidsmarkt kan alleen van onderop worden gedicht, betogen Marieke Gervers en Marc van der Meer.

Begin deze week kwamen ruim 200 betrokkenen uit het Amsterdamse beroepsonderwijs en ­vertegenwoordigers van het ­bedrijfsleven bijeen in Pakhuis de Zwijger om de toekomst van het mbo te bespreken.

Een toekomst waarin innovatie centraal moet staan en waarin politici, bestuurders en docenten steeds dezelfde vraag dienen te beantwoorden: hoe zorgen we ervoor dat studenten daadwerkelijk aan de slag kunnen, nadat ze hun opleiding hebben afgerond?

Een antwoord daarop vinden is niet eenvoudig. De arbeidsmarkt verandert in een steeds hoger tempo. En scholen kunnen dat tempo met al hun regels, voorschriften en processen simpelweg niet bijbenen.

Massaal afhaken
Het mbo is de afgelopen jaren dan ook regel­matig weggezet als probleemgeval. Omdat het niveau van de afgestudeerden niet altijd aansluit op wat er op de werkvloer wordt gevraagd. Of omdat mbo-studenten die de stap zetten naar het hoger beroepsonderwijs massaal af­haken, omdat die opleidingen onvoldoende aansluiten op hun vaardigheden en behoeftes.

Zo komt het ideaal van blijven leren na de opleiding in deze groep het minst voor, terwijl juist zij dat zo hard nodig hebben. Veel mbo'ers gaan immers aan de slag in sectoren waar sprake is van verregaande flexibilisering.

Om het tij voor het mbo-onderwijs te keren, moet op landelijk niveau het besef doordringen dat onderwijsvernieuwing geen zaak van centrale sturing is. Er is vertrouwen en lef nodig om meer financiële ruimte en verantwoordelijkheid te leggen bij de onderwijsprofessionals zelf.

Zij weten tenslotte het beste wat er onder hun studenten leeft en wat er speelt op de werkvloer van bedrijven.

Geef ze de kans om aan hun eigen ontwikkeling te werken en zich in het snel transformerende werkveld te verdiepen. Dat betaalt zich uit: door de inzichten die dit oplevert, zijn ze in staat om hun opleidingen beter vorm te geven.

De juiste ingang
Daarnaast is het zaak om de arbeidsmarkt al in een veel vroeger stadium bij de opleidingen te betrekken. Er is veel animo bij innovatieve bedrijven en zelfstandige professionals om een bijdrage te leveren aan een betere aansluiting op het mbo-onderwijs.

Ze weten alleen de juiste ingang bij de onderwijsinstituten niet te vinden: het ontbreekt aan effectieve werkvormen of men spreekt elkaars taal niet. Dat is een gemiste kans voor beide partijen, maar vooral voor de toekomstige vakmensen.

Het is daarom tijd voor het mbo om de ramen en deuren wijder open te zetten en actief het werkveld in te gaan. Om experimenten van ­onderop te stimuleren, samenwerking tussen scholen te omarmen, alumni intensiever te ­betrekken bij het onderwijs en om van elkaars fouten en successen te leren.

Dit is de structuur die langzaamaan in Amsterdam is ontstaan na de introductie van de zogeheten mbo-agenda, nu zo'n twee jaar geleden. De gemeente durft de teugels te laten ­vieren en docenten krijgen de ruimte om hun eigen professionele profiel te versterken.

Het is tijd voor het mbo om de ramen en deuren wijder open te zetten en het werkveld in te gaan

Aan scholen de taak om samen te werken en kennis te delen. Bijvoorbeeld met de nieuwe 'practoraten' voor creatief vakmanschap en mediawijsheid.

Platformen voor nieuwe beroepspraktijken die nadrukkelijk met én voor de stad werken. Deze nieuwe structuur heeft impact, al valt er - zoals altijd - nog genoeg te verbeteren. 

Wat ons betreft kan deze Amsterdamse werkwijze als inspiratie dienen voor de toekomst van het mbo-onderwijs in andere regio's. Natuurlijk heeft elke sector en regio eigen kenmerken en behoeftes. 

Maar de werkvormen die nodig zijn om de kloof tussen opleiding en arbeidsmarkt te verkleinen, komen van onderop en van opzij. Met een overheid die faciliteert en resultaten honoreert, docenten die verantwoordelijkheid krijgen en een arbeidsmarkt die zich manifesteert in de klas.