© Agata Nowicka

'De gracht is altijd blauwer aan de overkant'

Mijn beste vriend verhuist binnenkort uit Amsterdam. Hij heeft genoeg gezien. Te veel gezien. De stad die hem inspireerde, prikkelde, kriebelde en stimuleerde is voor hem veranderd in een plek die hem sloopt.

De gevels ­laten hem geeuwen. De grachten doen niet meer aan verzachten. De bomen in zijn straat laten hem twijfelen aan het feit of dit echt de plek is waar zijn wortels liggen.

Rust, daar verlangt hij naar. Over drie maanden wordt hij veertig.

Hij woont al zijn hele leven in Amsterdam. De stad heeft hem niets meer te bieden. Amsterdam wil niet dat hij gaat. In haar zinnenprikkelendste nachtkleding paradeert ze door zijn straat.

Ze kijkt stiekem door het keukenraam naar binnen. 

Een muur van verhuisdozen in de hal.

Een kamerplant in de keuken met pastasaus op de bladeren. Een gedemonteerde kapstok in een lege fruitschaal. De stad ziet dat hij het meent.

Dit is geen schreeuw om aandacht, nee, dit is gedecideerd gemompel. 
De man verlangt eenvoudigweg naar rust, en daarom heeft hij een huis in Uitgeest gekocht.

Afgelopen weekend liet hij zijn nieuwe huis aan me zien. Mijn beste vriend was aan het glunderen.

"Niet normaal toch? Dit is echt precies wat ik zocht. Hier wil ik sterven, man. Wil jij sterven waar jij nu woont?"

"Nee, maar ik wil dan ook het liefst nergens sterven."

Hij trekt de schuifpui open en stapt zijn achtertuin in.

"Mijn tuin loopt door tot aan dat bos. Zie je dat bos daar?"

Ik zag het bos. Een paar scholieren fietsten het bos in. Ze fietsten aanzienlijker sneller het bos uit dan dat ze het bos in fietsten. Ik begreep die scholieren wel.

Toen ik een kind was, fietste ik ook zo snel als ik kon door bossen heen. Ik was als de dood voor struikpedo's.

"Het is mooi hier. Je hebt gewoon een slootje in je tuin."

"Het huis hiernaast staat te koop, dus je bent van harte welkom. Zeven kamers, en in de tuin staat een tuinhuisje. De vorige bewoner was een kinderboekenschrijver. Die schreef in dat huisje," zei hij.

"Ik ben nog niet klaar voor Uitgeest. Sorry, maar mijn geest moet nog zeker twintig jaar aan blijven staan."

Hij bracht me naar de bushalte. De bus reed weg en mijn vriend zwaaide me uit. Maar toen de trein wegreed, zag ik hem niet staan. 

De stad stond op het perron toen ik uitstapte. Er zat een bloem in haar haar.
Ze droeg open schoentjes en rook naar gevaar.

Ze vroeg of ik haar had gemist. Ik gaf haar drie X'jes en zei dat ik haar had gemist zoals ruitenwissers de regen kunnen missen. 

"Veel mensen vinden dat ik te veel prikkel. Vroeger hield ik ze nachtenlang wakker, maar nu vermoei ik ze. Misschien geef ik te veel," zei ze in de Haarlemmer­straat.

"Het ligt niet aan jou. De gracht is altijd blauwer aan de overkant."

"Maar al die verhuiswagens. Dit is niet goed voor mijn zelfvertrouwen.
Er vertrekken vandaag weer twee mensen naar Waddinxveen."

"Ach, zelfs in de hemel rijden verhuiswagens."

Ze keek naar zichzelf in de etalage van een winkel en drukte met twee vingers haar wenkbrauwen plat.

"Deze stad weet van geen wijken," fluisterde ze.

Toen blies ze een handkus naar de Westertoren, zette het op een rennen en ving de kus zelf weer op.

De in Amsterdam geboren en getogen schrijver James Worthy (1980) probeert in zijn columns iets van het leven te begrijpen. Lees al zijn columns hier terug.

Reageren? james@parool.nl

Het ligt niet aan jou. De gracht is altijd blauwer aan de overkant.