Opinie Bewaar

'Amsterdam herstelt stedenbouwkundige bagger'

De Dam in 1908
De Dam in 1908 © Stadsarchief Amsterdam

Er is sprake van een herwaardering van het oude Amsterdamse straatbeeld, signaleert Arthur Claassen woensdag in een opiniestuk. Pleinen krijgen hun allure terug en de dominante positie van de auto in de grachtengordel staat ter discussie. Bouw ook het Paleis voor Volksvlijt terug!

Het centrum van Amsterdam gaat de komende jaren - ­wederom - op de schop. Het eiland voor het Centraal ­Station wordt het domein van voetgangers, fietsers en trams en moet zo weer de grande entrée van weleer worden.

Het Leidseplein krijgt een vergelijk­bare behandeling om de allure van vroeger ­terug te winnen. Het Muntplein wordt meer verblijfsplaats en minder verkeersknooppunt. Op de Nieuwmarkt is geëxperimenteerd en over de Dam wordt gebrainstormd.  

Het wordt door lokale bestuurders niet hardop gezegd, maar eigenlijk is Amsterdam bezig een historische fout te herstellen.

Je zou het de grote herwaardering kunnen noemen. De centrumpleinen van Amsterdam worden teruggebracht naar een rustiger en overzichtelijker staat. Een straatbeeld dat lijkt op dat van eind negentiende, begin twintigste eeuw.

In de nieuwe plannen zijn voetgangers en trams dominant; de auto krijgt een ondergeschikte rol. Er is verder weinig ­losse bebouwing of reclame, wel hier en daar bomen en bankjes.

Een bijkomend voordeel: meer rust en meer aandacht voor de omgeving. De stad is mooi en dat mogen we steeds meer zien.

De autoluwheid van zo'n honderd jaar geleden was geen bewuste keuze; er waren gewoon nauwelijks auto's. En anders dan destijds zal op de vernieuwde pleinen de fiets straks een belangrijke plaats innemen.

Overeenkomsten
Maar wie foto's uit die tijd vergelijkt met de artist's impressions van nu, ziet de overeenkomsten. Het wordt door lokale bestuurders niet hardop gezegd, maar eigenlijk is Amsterdam bezig een historische fout te herstellen.

Namelijk dat toen het aantal auto's in met name de jaren zestig en zeventig explosief toenam, men daaraan de conclusie verbond dat de gehele infrastructuur van het centrum dus maar moest worden ingericht op de auto.

Sinds die tijd zou steeds meer van de schaarse ruimte in de binnenstad gegijzeld worden door de vierwieler.

De lijst van stedenbouwkundige bagger die in deze jaren over Amsterdam werd uitgestort is lang.

Langzaam is die mentaliteit omgeslagen. In 1996 werd het Spui autoluw. Een jaar later werd 'de kortste snelweg van Nederland' gesloten, de Museumstraat die van het Concertgebouw tot het Rijksmuseum liep, en werd het Museumplein weer een verblijfsplaats.

Het Haarlemmerplein werd in 2012 autoluw. In 2016 zijn de andere grote centrumpleinen aan de beurt. Het is duidelijk dat, aangejaagd door de toenemende drukte, de auto de strijd om de ruimte snel aan het verliezen is.

Het lijkt vooral een kwestie van tijd voordat dat andere heilige huisje tegen de grond gaat: de dominante positie van de auto in de grachtengordel, die tot een totaal verrommelde inrichting van de kades heeft geleid. 

Staat in 2029, honderd jaar na de brand, het paleis weer op zijn plaats?

Het had nog veel erger gekund. In de jaren zestig waren er plannen om een snelweg door de binnenstad aan te leggen van het Mr. Visserplein naar het Centraal Station, dwars door de Nieuwmarktbuurt.

Sommigen wilden zelfs grote delen van de grachtengordel dempen om parkeerplaatsen en autowegen te creëren. Die louter functionele inrichting van de openbare ruimte in de jaren zestig en zeventig vond zijn evenknie in de architectuur uit die tijd.

Lange lijst
De lijst van stedenbouwkundige bagger die in deze jaren over Amsterdam werd uitgestort is lang. Kattenburg, Wittenburg, de Bijlmer, modernistische woonblokken in de noordelijke Jordaan, de Haarlemmer Houttuinen en natuurlijk de eindeloze rijen galerij- en portiekflats in Buitenveldert, Slotervaart, Osdorp en Geuzenveld.

Met een dergelijk beleid verdien je als stads­bestuur een onderkomen als de Stopera, niet toevallig een ontwerp uit de jaren zestig.

Arthur Claassen is jurist en politicoloog.

Gelukkig is de stad de goede weg ingeslagen. Het is misschien een cliché, maar de openbare ruimte wordt nu stap voor stap teruggegeven aan de Amsterdammer.

De vraag is of de grote herwaardering een passende bekroning krijgt. In 1929 brandde het icoon van de negentiende eeuw en een van de mooiste gebouwen van Amsterdam af: het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein.

De rauwe romantiek van glas en staal, sierlijk en statig van vorm. In de jaren zestig kreeg de stad er het levenloze pand van De Nederlandsche Bank voor terug. Staat in 2029, honderd jaar na de brand, het paleis weer op zijn plaats?

Het terugbouwen van verloren werk is in de architectuur not done, maar misschien verdient elke regel één uitzondering? Wellicht dan als hippe food hall? En natuurlijk met een weids plein ervoor, voorzien van - eindelijk - een fontein die Amsterdam recht doet.