Opinie Bewaar

'Ambtenaren moeten niet de schijn van partijdigheid wekken'

'Omdat mensen soms ongestraft door rood rijden, schaffen we rode stoplichten ook niet af'
'Omdat mensen soms ongestraft door rood rijden, schaffen we rode stoplichten ook niet af' © ANP

Ambtenaren moeten vooral niet door uiterlijke kentekenen de schijn van partijdigheid wekken, schrijft John Jansen van Galen over de zaak van Sarah Izat.

Volgende week doet het College voor de Rechten van de Mens uitspraak over de klacht van Sarah Izat (26), die als buitengewoon opsporingsambtenaar van de Rotterdamse politie in de openbare uitoefening van haar functie geen hoofddoek mag dragen.

Wat geeft het, zult u misschien zeggen.

Menig­een heeft wel eens een kiekje gemaakt van zo'n Britse politieman met een kloeke tulband en een weelderige baard boven zijn uniform. Mag zo'n man zich soms niet afficheren als sikh? Als hij zijn werk maar goed doet! En Izat doet, voor zover wij het kunnen beoordelen, haar werk goed.

Uit de berichtgeving over haar zaak komt zij naar voren als een toegewijde politievrouw.

Zichtbare religieuze uitingen
Maar de gedragscode van de politie verbiedt nu eenmaal voor geüniformeerde agenten zichtbare religieuze uitingen. De overheid, is de gedachte, hoort neutraal te zijn en dat ook uit te stralen.

In een interview met de Volkskrant voert Izat echter onder meer aan dat die code niet gehandhaafd wordt: ze zag al bij twee collega's op een andere afdeling kruisjes.

Het is een redenering die haar niet verder zal brengen: omdat mensen soms ongestraft door het rode stoplicht rijden, schaffen we rode stoplichten ook niet af.

Waarom zijn wij in Nederland zo strikt op dit punt?

Toen de Amsterdamse politiechef Pieter-Jan Aalbersberg alleen maar vroeg om publiek debat over deze kwestie maar al wel opperde dat het toestaan van hoofddoeken goed zou zijn voor de diversiteit in het corps, was het huis meteen te klein en werd hij door zijn hoogste baas, Erik Akerboom, teruggefloten.

Andere traditie
De Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy wijst er in Trouw op dat Angelsaksische landen in deze een andere traditie hebben, waarin diversiteit een hoge maatschappelijke waarde is en minderheden de ruimte krijgen om 'hun identiteit uit te dragen'.

Vanuit onze historie houdt volgens hem de bekleder van een openbaar ambt op 'een burger te zijn' en moet deze zijn 'identiteit en belangen opgeven ten faveure van het 'algemeen belang'.

Dat is zwaar gechargeerd: de Nederlandse ambtenaar blijft burger, alleen niet tijdens zijn achturige werkdag. Dan vertegenwoordigt hij de overheid, die neutraal dient te zijn. Het staat hem vrij daarnaast, 's avonds, in het weekeinde, pacifist, vegetariër, moslim, nudist of sikh te zijn.

Omgekeerde rede­nering
Sarah Izat verklaart haar strijd aldus: "Omdat ik mij inzet voor een samenleving waarin niemand verantwoording hoeft af te leggen voor wie hij is."

Dat is, opnieuw, een omgekeerde rede­nering. De Nederlandse ambtenaar hoeft geen verantwoording af te leggen voor wie hij is, juist omdat wij burgers niet weten 'wie hij is' en dat gelukkig nergens aan kunnen zien.

De Nederlandse ambtenaar hoeft geen verantwoording af te leggen voor wie hij is, juist omdat wij burgers niet weten 'wie hij is'

In Het Parool is vroeger door wijlen columnist Bart Tromp heftig gefulmineerd tegen de (gelukkig overgewaaide) tendens om ambtenaren naambordjes op te spelden. Hij vond dat een vorm van moderne lijfeigenschap, want dan kun je niet alleen in functie maar ook nog eens als mens aangesproken worden.

Maar met zo'n hoofddoekenverbod, betoogt Kennedy, 'geeft de 'neutrale' staat vooral eenkennige burgers hun zin die allergisch zijn voor alle religieuze symbolen en kleding, vooral als ze gedragen worden door ambtenaren.

Zo profileert Nederland zich zijns inziens 'steeds meer als seculier - soms bijna antireligieus - land' en dat vindt hij 'zorgwekkend': "Wat betekent vrijheid van godsdienst als die steeds verder achter de voordeur wordt teruggedrongen?"

Overgevoelig
Ook dat is hevig gechargeerd. Kerkklokken beieren, moskeeën roepen op tot gebed, het wemelt in de winkelcentra van hoofddoeken en boerka's: religie is volop hoor- en zichtbaar aanwezig in de openbare ruimte.

Alleen liever niet achter het overheidsloket en in de uitmonstering van de politieagent.

Zijn wij op dit punt overgevoelig? Wordt hier de toon aangegeven door de generatie van '68, die bruusk afscheid nam van het geloof van haar ouders en daar nog altijd overheen is? Gaat het bij het verzet tegen hoofddoeken in publieke functies werkelijk om de neutraliteit van de staat of, ook, om afkeer van de islam?

Dat kan allemaal meespelen, maar we zijn nu eenmaal een natie van vele, soms conflicterende levens- en wereldbeschouwingen, waartussen het al moeilijk genoeg is de vrede te bewaren zonder dat de vredebewaarders door uiterlijke kentekenen de schijn van partijdigheid kunnen wekken.